Numeri 25:1-5
I. Hier is Israëls zonde, waartoe zij verlokt werden door de dochteren van Moab en Midian zij maken zich schuldig, beide aan lichamelijke en geestelijke hoererij, want Israël koppelde zich aan Baäl-Peor, vers 3, niet allen, ook niet de meesten, maar toch zeer velen werden in deze strik gevangen. Merk hieromtrent op:
1. Dat Balak op Bileams raad de kinderen Israëls deze aanstoot heeft voorgeworpen, Openbaring 2:14. Diegenen zijn onze ergste vijanden, die ons verlokken tot zonde, want dat is het grootste kwaad dat een mens ons doen kan. Indien Balak zijn gewapende manschappen tegen hen had afgezonden om met hen te strijden, dan zou Israël hen kloekmoedig weerstaan hebben, en ongetwijfeld meer dan overwinnaar zijn gebleven, maar nu hij zijn schone vrouwen onder hen zendt, en hen tot zijn afgodsmaaltijden nodigt, geven de Israëlieten laaghartig toe, en worden schandelijk overwonnen. Diegenen worden verslagen door zijn hoeren, die hij niet met zijn zwaard had kunnen verslaan. De bekoring van een ons vriendelijk toelachende wereld is gevaarlijker voor ons dan de verschrikking van een ons dreigend aanziende wereld.
2. Dat de dochteren van Moab hun verleidsters waren en hen hebben overwonnen. Van dat Eva de eerste is geweest in de overtreding is de schone sekse, hoewel de zwakkere, voor menigeen een strik geweest, ja sterke mannen zijn door de lippen van de vreemde vrouw gewond en gedood, Spreuken 7:26, getuige Salomo, wiens vrouwen netten en garen voor hem geweest zijn, Prediker 7:26.
3. Dat hoererij en afgoderij samen gepaard gingen. Eerst hebben zij hun geweten verontreinigd door ontucht te plegen met de vrouwen, en toen werden zij uit inschikkelijkheid voor haar, en in minachting van de God Israëls, er gemakkelijk toe gebracht om zich voor haar afgoden te buigen. En zij zullen dit verder doen, indien, naar algemeen verondersteld wordt, en hier wegens de samenvoeging er van waarschijnlijk is, de bedreven ontucht een deel uitmaakte van de eredienst van Baäl-Peor. Zij, die door de heiningen van de zedigheid zijn heengebroken, zullen nooit door de banden van Godsvrucht worden gehouden, en zij, die zich onteerd hebben door vleselijke lusten, zullen er geen bezwaar in vinden om God te onteren door afgodendienst, waarom zij dan ook rechtvaardig overgegeven werden tot oneerlijke bewegingen.
4. Dat zij door van afgodenoffer te eten zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben, aan wie die offeranden geofferd werden, hetgeen de apostel aanvoert als een reden, waarom Christenen niet moeten eten van hetgeen de afgoden geofferd is, wijl zij daardoor gemeenschap hebben met de duivelen, aan wie die offers geofferd werden, 1 Corinthiërs 10:20. Het wordt genoemd de offeranden van de doden te eten, Psalm 106:28. Niet alleen omdat de afgod zelf een dood ding was, maar ook omdat de persoon, die er door werd voorgesteld, de een of andere held was die na zijn dood verafgood werd, zoals de heiligen in de kerk van Rome gecanoniseerd worden.
5. Het was een grote verzwaring van hun zonde, dat Israël toen te Sittim verbleef, waar zij het gezicht hadden op het land Kanaän, en op het punt stonden om er bezit van te gaan nemen. Het was de hoogste mate van verraad en ondankbaarheid om ontrouw te zijn aan hun God, die zij zo trouw hadden bevonden aan hen, en afgodenoffer te eten als zij gereed stonden om zo rijkelijk op Gods gunsten onthaald te worden. II. Gods rechtvaardig ongenoegen tegen hen vanwege deze zonde. Israëls hoererij deed wat al de toverijen en bezweringen van Bileam niet konden doen, zij maakte dat God tegen hen was, nu was Hij hun in een vijand verkeerd en heeft Hij zelf tegen hen gestreden. Zovelen van het volk, ja zovelen van de oversten waren schuldig, dat het een nationale zonde is geworden, en daarom was God vertoornd op de gehele vergadering.
1. Er brak terstond een plaag uit, want in vers 8 lezen wij van het ophouden er van, en in vers 9 wordt het getal opgegeven van hen, die er aan gestorven zijn, maar er wordt geen melding gemaakt van het begin van deze plaag, dat dus opgesloten moet zijn in de woorden: de toorn des Heeren ontstak tegen Israël, vers 3. In Psalm 106:29 wordt uitdrukkelijk gezegd: de plaag deed een inbreuk onder hen. Epidemische ziekten zijn de vrucht van Gods toorn en de rechtvaardige straf voor epidemische zonden, de ene besmetting volgt op de andere. Ongetwijfeld heeft de plaag hen aangetast, die het schuldigst waren en weldra hun verboden genietingen duur moesten betalen, en ofschoon God thans zulke zondaren niet altijd met een plaag bezoekt, zoals Hij het hier gedaan heeft, zal toch dit woord van God vervuld worden: Zo iemand de tempel Gods schendt, die zal God schenden, 1 Corinthiërs 3:17.
2. Er wordt bevel gegeven om de aanvoerders in deze zonde door het gerecht ter dood te brengen, hetgeen het enige middel zal wezen om de plaag te doen ophouden, vers 4. Neem al de hoofden des volks, dat is: van dat deel van het volk, dat uit het leger Israëls in het land van Moab ging, om zich bij de afgodsdienst te voegen. Neem hen en hang hen de Heere, tegen de zon, als offers aan Gods gerechtigheid, en ter verschrikking voor het overige deel van het volk. De rechters moeten bevel geven om hen eerst te doden met het zwaard, vers 5, en hun dode lichamen moeten opgehangen worden, opdat de stompzinnige Israëlieten, hun leidslieden en oversten zo streng gestraft ziende voor hun hoererij en afgoderij, zonder acht te slaan op hun rang en waardigheid, enig besef zouden krijgen van het kwaad van de zonde, en de verschrikking van Gods toorn tegen hen. Aanvoerders in de zonde moeten tot voorbeelden gesteld worden van de gerechtigheid.