Job 9:14-21
Wat Job gezegd had van des mensen volslagen onmacht om met God te twisten, past hij hier toe op zichzelf en hij wanhoopt er aan Zijn gunst te verkrijgen, hetgeen (naar sommigen denken) in hem voortkomt uit de harde gedachten, die hij van God had gekoesterd, alsof Hij, zich terecht of ten onrechte tegen hem gesteld hebbende, zal blijken te sterk voor hem te wezen. Ik denk echter dat het veeleer voortkwam uit zijn besef van de onvolkomenheid van zijn gerechtigheid en de sombere vrees, die hij nu koesterde, dat God misnoegd op hem was.
I. Hij durft met God niet twisten, vers 14. "Indien de hovaardige helpers zich onder Hem buigen, hoe zou ik, een arm, zwak schepsel (die zó weinig een helper ben, dat ikzelf zeer hulpeloos ben geworden) Hem dan kunnen antwoorden? Wat kan ik zeggen tegen hetgeen God doet? Als ik het beproef met Hem te redeneren, dan zal Hij mij voorzeker te sterk zijn." Indien de pottenbakker van het leem een vat ter onere maakt, of het vat, dat hij gemaakt heeft, in stukken breekt, zal dan het leem of het gebroken vat met hem twisten? Even dwaas is de mens, die tegen God antwoordt, of denkt met Hem te kunnen redetwisten. Neen, dat alle vlees zwijge voor Zijn aangezicht.
II. Hij durft zijn gerechtigheid voor God niet staande houden. Hoewel hij zijn oprechtheid staande hield tegenover zijn vrienden, niet wilde toegeven dat hij een geveinsde en een goddeloze was, zoals zij voorgaven, wilde hij hier toch niet op pleiten, als op zijn gerechtigheid voor God. Job wist zoveel van God, en zoveel van zichzelf, dat hij zich voor God niet op zijn gerechtigheid kon beroepen.
1. Hij wist zoveel van God, dat hij zich met Hem in geen twistgeding durfde begeven vers 15-19. Tegenover zijn vrienden kon hij zich handhaven, en achtte hij zich wèl instaat om met hen te handelen, maar al zou zijn zaak ook beter geweest zijn dan zij was, hij wist wel dat het nutteloos zou zijn om zich voor God te rechtvaardigen.
A. God kende hem beter dan hij zichzelf kende, vers 15. "Al zou ik in mijn eigen gevoel, in mijn eigen ogen, rechtvaardig zijn en al zou mijn eigen hart mij niet veroordelen God is groter dan mijn hart, en kent mijn verborgen fouten en dwalingen, die ik niet begrijp en niet kan begrijpen, en Hij kan er mij van beschuldigen, en daarom zal ik niet antwoorden." Paulus spreekt in dezelfde zin "Ik ben mijzelf van geen ding bewust," ik ben mij van geen heersende goddeloosheid bewust, "doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd," 1 Corinthiers 4:4. "Ik durf mij voor God niet op mijn onschuld beroepen, want Hij zou mij ten laste kunnen leggen wat ik in mijzelf niet ontdekt of bespeurd heb." Van die pleitgrond zal Job dus geen gebruik maken, maar zijn Rechter om genade bidden, dat is: zich aan Gods genade overgeven, en niet denken dat zijn eigen verdiensten hem kunnen redden.
B. Hij had geen reden om te denken dat er iets was in zijn gebeden, hetwelk ze Gode welbehaaglijk kon maken, of hem een antwoord des vredes kon doen verwerven, er was niet de minste waardij of waardigheid in, waaraan de verhoring ervan toegeschreven kon worden, deze moet zuiver en alleen toegeschreven worden aan de genade en ontferming Gods, die antwoordt voordat wij roepen, en niet omdat wij roepen, en genaderijke antwoorden geeft op ons gebed, maar niet om ons gebed, vers 16. "Indien ik roep, en Hij mij antwoordt, mij geeft waar ik tot Hem om geroepen heb, zijn toch mijn gebeden zó zwak en gebrekkig, dat ik niet geloven kan dat Hij daarin naar mijn stem gehoord heeft, maar dat Hij het zuiver en alleen gedaan heeft om Zijns naams wil." Bisschop Patrick legt het aldus uit: "Indien ik bid, en Hij geeft mij mijn begeerte, dan moet ik niet denken dat mijn gebed dit gedaan heeft."
C. Zijn tegenwoordige ellende, waarin God hem gebracht heeft niettegenstaande zijn oprechtheid, gaf hem de overtuiging dat God in Zijn beschikken en regelen van der mensen uitwendige toestand in deze wereld handelt door vrijmacht, en hoewel Hij nooit iemand onrecht doet, toch ook niet altijd aan iedereen geeft wat hem naar recht toekomt, dat is: aan de besten gaat het niet altijd het best, en aan de slechten niet altijd het slechtst in dit leven, omdat Hij de volkomen en nauwkeurige toebedeling van beloning en straf bewaart voor de toekomende staat. Job was zich van geen buitengewone schuld bewust, en viel toch onder buitengewone beproevingen, vers 17, 18. Ieder mens moet verwachten dat de wind tegen hem waait, maar Job was door een zware storm aangelopen. Ieder, die tussen doornen en distelen wandelt, moet verwachten schrammen op te doen, maar Job was gewond, en zijn wonden waren vermenigvuldigd. Iedereen moet een dagelijks kruis verwachten, en dat hij nu en dan uit de bittere beker zal te drinken hebben, maar Jobs rampen waren zo menigvuldig en volgden zo snel op elkaar, dat hij niet kon ademhalen, hij was vervuld met bitterheid, en hij durft zeggen dat dit alles zonder oorzaak was, zonder dat hij er aanleiding toe heeft gegeven, of door zijn overtredingen God er toe gebracht had. Wij hebben totnutoe hetgeen Job gezegd heeft in de beste zin beschouwd, hoewel dit tegen het oordeel is van vele goede uitleggers, maar hier heeft hij ongetwijfeld wat onbedachtelijk voortgebracht met zijn lippen. Hij maakt aanmerking op Gods goedheid, als hij zegt dat hem geen tijd was gelaten om adem te halen, terwijl hij toch nog zo goed het gebruik heeft van zijn verstand en zijn spraak om aldus te kunnen spreken, en op Zijn gerechtigheid, als hij zegt dat het zonder oorzaak was. Toch is het waar dat gelijk aan de ene kant er velen zijn, aan wie meer zonden ten laste gelegd kunnen worden dan de gewone zwakheden van de menselijke natuur, terwijl zij toch niet meer smart of droefheid hebben dan de gewone rampen aan het menselijk leven verbonden, zo zijn er van de andere kant velen, die meer van de algemene rampen van het menselijk leven ervaren, terwijl zij zich toch niet bewust zijn van meer dan de gewone zwakheden van de menselijke natuur.
D. Hij was niet instaat zich tegenover God te handhaven, vers 19.
a. Niet door kracht van wapenen. "Ik durf met de Almachtige niet in het strijdperk treden, want spreek ik van kracht en meen ik daardoor te overwinnen, zie, Hij is sterk, sterker dan ik, en Hij zal mij gewis overweldigen." Er valt niet te twisten (zei eens iemand tot Caesar) met hem, die over legioenen gebiedt, en nog veel minder valt er te twisten met Hem, die legioenen van engelen onder Zijn bevelen heeft. Kan uw hart (uw moed en tegenwoordigheid van geest) bestaan, of zullen uw handen sterk zijn om u te verdedigen "in de dagen als Ik met u handelen zal?" Ezechiël 22:14.
b. Niet door kracht van redenen. "Indien ik spreek van recht, op mijn recht wil aandringen, wie zal mij een tijd stellen om te pleiten, vers 19. Er is geen hogere macht om mij op te beroepen, geen opperste gerechtshof, dat een onderzoek van de zaak bevelen kan want Hij is de opperrechter, van Hem komt ieders oordeel, waarbij men zich moet neerleggen, waarin wij hebben te berusten.
2. Hij wist zoveel van zichzelf, dat hij geen gerechtelijk verhoor durfde ondergaan, vers 20, 21. Als ik het zou beproeven mijzelf te rechtvaardigen en op mijn eigen gerechtigheid te pleiten, zou mijn verdediging mijn misdrijf zijn, en mijn mond zal mij verdoemen, als hij beproeft mij vrij te spreken. Een Godvruchtig man, die de bedriegelijkheid kent van zijn eigen hart en er dikwijls het verkeerde in gevonden heeft, dat daar verborgen was, vermoedt dat er meer kwaad in hem is, dan waarvan hij zich bewust is, en daarom zal hij er niet aan denken om zich voor God te willen rechtvaardigen. Indien wij zeggen: "Wij hebben geen zonde", dan bedriegen wij niet alleen onszelf, maar wij beledigen God, want wij zondigen door dit te zeggen, en logenstraffen de Schrift, die allen onder de zonde besloten heeft. Indien ik zeg: ik ben volmaakt, ik ben zondeloos, God heeft mij van niets te beschuldigen, dan zal dit zeggen juist een bewijs zijn van mijn verdorvenheid, van mijn hoogmoed, mijn onwetendheid en verwaandheid. Ja, al ware ik volmaakt, al zou God mij rechtvaardig noemen, zou ik toch mijn ziel niet achten, ik zou volstrekt niet begeren mijn leven te verlengen, zolang het met al deze ellende belast is." Of, "Al zou ik vrij zijn van grove zonde, al zou mijn geweten mij niet beschuldigen van een zware misdaad zou ik mijn eigen hart in zover toch niet geloven, dat ik mijn onschuld zou durven staande houden, noch mijn leven waardig achten om er met God voor te strijden." Kortom, het is dwaasheid om met God te strijden, en onze wijsheid is het, zowel als onze plicht, om ons aan Hem te onderwerpen en ons neer te werpen aan Zijn voeten.