3. En alzo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk het gezicht, dat ik bij gelegenheid mijner roeping gezien had, toen ik kwam om de stad te verderven, toen ik naar Jeruzalem in den geest werd vervoerd, om de verwoesting te zien en daardoor deze ook als zeker en onfeilbaar voor te stellen (
Hoofdstuk 8-11); En het waren gezichten als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar 1); en Ik viel op mijn aangezicht, evenals in
Hoofdstuk 1:28, voor de Majesteit van den vertoornden God, zo hier voor de Majesteit van Hem, die in Zijne genade Zich openbaarde (Openbaring :17).
1) Ezechiël merkt op, dat de verschijning van Gods heerlijkheid, die hij hier zag, dezelfde was, welke hij gezien had, toen hij het eerst zijn last ontving, omdat God dezelfde is, zo behaagde het Hem, Zich op dezelfde wijze te openbaren, want bij Hem is geen verandering. God verscheen op dezelfde wijze, toen Hij hem zond, om de woorden van schrik te spreken, als toen Hij hem zond, om woorden van vertroosting te spreken, want in beiden moet en zal God verheerlijkt worden. Hij doodt en Hij maakt levende, Hij doorwondt en Hij geneest. Op dezelfde hand, die verstoot, moeten wij zien om verlossing. Hij heeft geslagen en Hij zal verbinden.