Psalm 51:1-8
Het opschrift in vers 1 en 2 verwijst naar een zeer treurige geschiedenis, namelijk die van Davids val. Maar, hoewel hij viel, was hij toch niet weggeworpen, want God heeft hem genadiglijk opgericht en staande gehouden.
1. De zonde, die hij in deze psalm betreurt was de dwaasheid en Goddeloosheid, die hij bedreef met zijns naasten huisvrouw, een zonde, die niet genoemd moet worden en waaraan niet gedacht moet worden zonder afschuw en verfoeiing. Zijn verontreiniging van Bathseba was de opening van de deur, door welke al de andere zonden, die erop volgden, binnenkwamen. Deze zonde van David is in de geschiedenis vermeld tot waarschuwing van ons allen, opdat hij, die meent te staan, toezie dat hij niet valle.
2. Het berouw, waaraan hij in deze psalm uiting geeft, werd bij hem opgewekt door de dienst van Nathan, die door God was gezonden om hem van zijn zonde te overtuigen, nadat hij voor zover blijkt meer dan negen maanden heeft doorgebracht zonder dat er een uitdrukking van smart en berouw van zijn lippen is gekomen. Maar hoewel God kan toelaten dat Zijn kinderen in zonde vallen en er gedurende lange tijd in blijven liggen, zal Hij hen toch door het een of ander middel tot berouw en bekering brengen, hen tot zich terugvoeren en weer tot henzelf doen komen. Over het algemeen gebruikt Hij hiervoor de dienst des Woords, waaraan Hij echter niet gebonden is. Maar zij, die in enigerlei zonde zijn gevallen, behoren een getrouwe bestraffing als de vriendelijkste dienst te beschouwen, die hun bewezen kan worden, en een verstandige bestraffen als hun beste vriend De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn, en hij bestrafte mij, het zal olie des hoofds zijn.
3. Overtuigd zijnde van zijn zonde, stortte David zijn ziel uit voor God in het gebed om genade en barmhartigheid. Tot wie zullen afgedwaalde kinderen terugkeren, dan tot de Heere, hun God, van wie zij zich afgewend hebben. en die alleen hun afkeringen kan genezen?
4. Door Goddelijke ingeving heeft hij hetgeen er bij die gelegenheid in zijn hart omging tot een psalm gemarkt, ten einde dikwijls en nog lang daarna herdacht te worden, en hij gaf de psalm over aan de opperzangmeester, om in de openbare eredienst door de gemeente te worden gezongen:
a. Als een belijdenis van zijn eigen berouw, waarvan hij wenste dat algemeen kennis zou genomen worden, daar ook zijn zonde algemeen bekend was opdat de pleister even groot zou zijn als de wonde. Zij, die waarlijk berouw hebben van hun zonden, zullen zich niet schamen om hun berouw ervan te bekennen, integendeel, de eer van de onschuld verloren hebbende, zullen zij veeleer naar de eer staan van boetelingen te zijn.
b. Als een voorbeeld voor anderen, om hen door zijn voorbeeld tot berouw en bekering te brengen, en om hen te onderwijzen in hetgeen zij daarbij te doen en te zeggen hebben. Zelf bekeerd zijnde versterkt hij aldus zijn broeders, Lukas 22:32, en "daarom is hem barmhartigheid geschied," 1 Timotheus 1:16.
In deze woorden hebben wij: I. Davids ootmoedig smeekgebed vers 2, 3. Zijn bede is tamelijk gelijk aan die, welke onze Heiland in de mond van Zijn boetvaardige tollenaar heeft gelegd: "o God, wees mij zondaar genadig!" Lukas 18:13. David was in velerlei opzicht een man van grote verdiensten, hij had voor de zaak van God niet slechts veel gedaan, maar veel geleden, en toch, als hij van zonde overtuigd is, poogt hij het niet voor te stellen alsof zijn goede daden wel kunnen opwegen tegen zijn slechte, noch dat zijn diensten zijn zonden wel kunnen vergoeden maar hij neemt de toevlucht tot Gods barmhartigheid, en steunt alleen daarop om vrede en vergeving te verkrijgen. Wees mij genadig o God! Hij erkent onderhevig te zijn aan Gods gerechtigheid, en daarom werpt hij zich op Zijn genade, en het is zeker dat de beste mens van de wereld verloren is indien God hem niet genadig is.
Merk op:
1. Waarop hij pleit om deze genade te verkrijgen. "Wees mij genadig, o God, niet naar de waardigheid mijner geboorte als afstammeling van de overste van de stam van Juda niet naar mijn openbare diensten als Israëls kampioen, of mijn openbare eer als Israëls koning, " zijn pleit is niet: "Heere, gedenk aan David, aan al zijn linden, hoe hij de gelofte gedaan heeft om een plaats te bereiden voor de ark," Psalm 132:1, 2, een waar boeteling zal van zo iets geen melding maken, maar: Wees mij genadig naar Uw goedertierenheid. Ik heb niets om bij U op te pleiten dan,
a. Het vrije van Uw genade naar Uw goedertierenheid, Uwe barmhartigheid, de goedheid van Uw aard, die U neigt om U te ontfermen over de ellendige."
b. En de volheid van Uw goedertierenheid. Er is in U niet slechts goedertierenheid en barmhartigheid, maar overvloed ervan, vele barmhartigheden om velen zondaren te vergeven, vele zonden te vergeven de vergeving te vermenigvuldigen, zoals wij de overtreding vermenigvuldigen.
2. Wat de bijzondere genade is, waarbij om vraagt: de vergeving van zonde, delg mijn overtredingen uit, als een schuld die uitgewist wordt, of doorgehaald wordt in het boek, als of de schuldenaar haar betaald heeft, of de schuldeiser haar heeft kwijtgescholden. Wis mijn overtredingen uit, opdat zij niet optreden om gerechtigheid tegen mij te eisen, noch mij aanstaren om mij te beschamen en te verschrikken." Het bloed van Christus, gesprengd op het geweten om het te reinigen en te bevredigen, delgt de overtreding uit, en, ons met God verzoend hebbende, verzoent het ons ook met onszelf. Was mij wel van mijn ongerechtigheid, vers 4, was mijn ziel van de schuld en de smet van mijn zonde, door Uw barmhartigheid en genade, want het is slechts van een ceremonieële verontreiniging, dat het water van de afzondering van dienst zal zijn om mij te reinigen. Vermenigvuldig mijn wassing de smet ligt diep, want ik heb gedurende lange tijd de schuld ingezogen, zodat zij niet gemakkelijk weg te nemen is. O was mij veel was mij wel, reinig mij van mijn zonde." De zonde verontreinigt ons, maakt ons hatelijk in het oog van een heilig God, en onbehaaglijk voor onszelf, zij maakt ons ongeschikt om gemeenschap te oefenen met God in genade of heerlijkheid. Als God de zonde vergeeft, reinigt Hij ons ervan, zodat wij Hem welbehaaglijk worden, gerust en aangenaam voor onszelf en vrijheid van toegang tot Hem hebben. Nathan had aan David op zijn eerste belijdenis van berouw, verzekerd dat zijn zonde was vergeven. "De Heere heeft uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven," 2 Samuël 12:13, maar toch bidt hij: Was mij, reinig mij, delg uit mijn overtredingen, want God wil gebeden zijn, zelfs om hetgeen Hij heeft beloofd, en zij, wier zonden vergeven zijn, moeten bidden dat hun vergeving hun hoe langer hoe meer duidelijk gemaakt zal worden. God had hem vergeven maar hij kon zichzelf niet vergeven, en daarom dringt hij zo sterk aan om vergeving te verkrijgen, als iemand, die zich de vergeving onwaardig achtte, en haar wist te waarderen.
II. Davids berouwvolle belijdenis, vers 5-7.
1. Hij was zeer openhartig in zijn schuldbelijdenis voor God: Ik erken mijn overtredingen. Hij had tevoren reeds bevonden dat dit de enige manier was om zijn geweten te ontlasten, Psalm 32:4, 5. Nathan had gezegd: Gij zijt die man-ik ben het, zegt David, ik heb gezondigd.
2. Hij had er zo'n diep besef van, dat hij er gedurig met smart en schaamte aan dacht. Zijn berouw van zijn zonde was geen plotselinge, hartstochtelijke opwelling, maar een blijvende smart, "mijn zonde is steeds voor mij, om mij te verootmoedigen en te beschamen, zodat ik voortdurend bloos en sidder. Zij is steeds tegen mij, " zo lezen het sommigen-"ik zie haar voor mij als een vijand, die mij beschuldigt en bedreigt." David wordt bij alle gelegenheden aan zijn zonde herinnerd, en hij wilde dit wel tot zijn verdere vernedering. Nooit wandelde hij op het dak van zijn huis zonder met droefheid en berouw te denken aan die onzalige wandeling aldaar, toen hij vandaar voor het eerst Bathseba heeft gezien, nooit legde hij zich te slapen zonder met smart te denken aan het bed van zijn onreinheid, nooit zette hij zich aan tafel om spijs en drank te gebruiken, nooit zond hij een dienaar op een boodschap uit of nam een pen in de hand, of het kwam hem voor de geest dat hij Uria dronken had gemaakt, een verraderlijke boodschap door hem had gezonden, en het noodlottig bevel had geschreven en getekend om hem te doen sterven. De daden van berouw, zelfs die over dezelfde zonde, moeten herhaald worden. Het zal ons nuttig wezen om onze zonden steeds voor ons te hebben, opdat wij door de herinnering aan vroegere zonden nederig gehouden worden, gewapend zullen zijn tegen verzoeking, opgewekt zullen worden om onze plicht te vervullen, en onder het kruis geduldig zullen zijn.
A. Hij belijdt zijn werkelijke overtredingen vers 6. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd. David was een zeer groot man, en toch, onrecht gedaan hebbende, onderwerpt hij zich aan de tucht van een boetvaardige, en denkt niet dat zijn koninklijke waardigheid hem daarvan zal vrijstellen. Rijken en armen moeten elkaar hier ontmoeten, er is een wet van berouw en bekering voor beide, de grootsten moeten weldra geoordeeld worden, en daarom moeten zij zich nu oordelen. David was een zeer goed man, en toch, gezondigd hebbende, schikt hij zich gewillig naar de plaats en houding van een boetvaardige. De beste mensen moeten als zij zondigen, het beste voorbeeld geven van berouw.
a. Zijn belijdenis is nauwkeurig, "ik heb gedaan dat kwaad is, het kwaad, waarvoor ik nu bestraft word, het kwaad, dat mij door mijn eigen geweten verweten wordt." Het is goed om nauwkeurig te zijn in de belijdenis van zonde, ten einde ook meer dringend te zijn in het gebed om vergeving, en er aldus de vertroosting van te kunnen smaken. Wij moeten nadenken over onze verschillende zonden van zwakheid en over de bijzondere omstandigheden van onze grove zonden.
b. Hij verzwaart de zonde, die hij belijdt, en legt er zich een last voor op, tegen U, en in Uw ogen. Daaraan schijnt onze Heiland de belijdenis te ontlenen die Hij de terugkerende verloren zoon in de mond legt: ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u) Lukas 15:18. David betreurt twee dingen in zijn zonde. Ten eerste. Dat zij bedreven was tegen God. Aan Hem is de belediging gedaan, Hij is de verongelijkte partij. Het is Zijn waarheid, die wij door moedwillige zonde ontkennen, Zijn leiding, die wij verachten, Zijn gebod, waaraan wij ongehoorzaam zijn, Zijn belofte, die wij wantrouwen, Zijn naam, die wij onteren, en het is tegenover Hem, dat wij bedrieglijk handelen. Daaraan ontleende Jozef zijn krachtig argument tegen de zonde, Genesis 39, 9, en David hier de sterke verzwaring ervan: tegen U alleen. Sommigen zien hier zijn kroonrecht in, dat hij, als korting, aan niemand verantwoording schuldig was dan aan God, maar het schijnt meer in overeenstemming met zijn tegenwoordige gemoedsstemming om te veronderstellen, dat daar het diepe berouw van zijn ziel over zijn zonde uitspreekt. Hij heeft hier gezondigd tegen Bathseba en Uria, tegen zijn eigen ziel en lichaam en gezin, tegen zijn koninkrijk en tegen de kerk Gods, en dit alles droeg bij om hem te verootmoedigen, maar tegen geen van die allen was zo gezondigd als tegen God, en daarom legt hij hier de treurigsten nadruk op, tegen U alleen heb ik gezondigd.
Ten tweede. Dat zij bedreven was in Gods ogen. "Dit maakt de zonde zo uiterst zondig." Dit moet ons grotelijks verootmoedigen wegens onze zonden, dat zij bedreven werden onder het oog van God, waaruit Of ongeloof blijkt aan Zijn alwetendheid, of minachting van Zijn gerechtigheid.
c. Hij rechtvaardigt God in het vonnis, dat over hem is uitgesproken: dat "het zwaard van zijn hals niet zal afwijken," 2 Samuël 12:10, 11. Hij is zeer ijverig om zijn zonde te erkennen en te verzwaren, niet alleen opdat hij zelf vergeving er voor ontvangen zal, maar ook om door zijn belijdenis Gode de eer te geven.
Ten eerste. Opdat God gerechtvaardigd zou zijn in de bedreigingen, die Hij door Nathan tot hem gericht had: Heere, ik heb niets in te brengen tegen de rechtvaardigheid ervan, ik verdien wet tegen mij bedreigd is, ja nog duizend maal erger" Zo heeft Eli berust in even zulke bedreigingen, 1 Samuël 3:18 :"Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen." En Hizkia: "Het woord des Heeren, dat Hij gesproken hebt, is goed" 2 Koningen 20:19.
Ten tweede. Opdat God rein zou zijn in Zijn richten, als Hij deze bedreigingen ten uitvoer brengt. David maakte zijn belijdenis van zonde bekend, opdat, als hij later in leed en benauwdheid zal komen, niemand zou kunnen zeggen: God heeft hem onrecht gedaan, want hij erkent dat de Heere rechtvaardig is. Zo zullen alle ware boetvaardigen God rechtvaardigen door zichzelf te veroordelen: Gij zijt rechtvaardig in alles, wat over ons gebracht is.
B. Hij belijdt zijn oorspronkelijk bederf vers 7. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren. Hij roept God niet op om dit te zien, hij zegt het tot zichzelf. Welaan, mijn ziel, zie op de rotssteen, waar ik uit gehouwen ben en gij zult bevinden dat ik in ongerechtigheid was geboren. Indien ik dit tevoren behoorlijk overdacht had, dan zou ik mij niet zo roekeloos aan verzoeking hebben blootgesteld, mij niet met zo'n zonde in mijn hart onder de vonken gewaagd hebben, en zo zou die zonde voorkomen zijn kunnen worden. Laat mij dit thans eens overwegen, niet om de zonde te verontschuldigen of te verkleinen: Heere, ik heb dit wel gedaan, maar waarlijk ik kon het met helpen, mijn aard en mijn neiging hebben mie er toe geleid," want gelijk die pleitgrond onwaar is, met behoorlijke zorg en waakzaamheid en een gebruik maken van de genade Gods, zou hij het hebben kunnen voorkomen, zo is het ook hetgeen een waar boetvaardige nooit zal willen aanvoeren "maar laat mij het veeleer beschouwen als een verzwaring van mijn zonde Heere, ik heb mij niet slechts schuldig gemaakt aan overspel en moord, maar ik heb een overspelige moordzuchtige natuur, en daarom verfoei ik mij." Elders spreekt David van de bewonderenswaardige bouw van zijn lichaam Psalm 139:14, 15, het was "als een borduursel gewrocht," en toch zegt hij hier dat het geformeerd werd in ongerechtigheid, vers 7, er was zonde mee ingeweven, niet zoals het uit Gods handen kwam, maar zoals het uit de lenden van zijn ouders was voortgekomen. Elders spreekt hij van de vroomheid van zijn moeder, dat zij Gods dienstmaagd was, en pleit hij op zijn betrekking tot haar, Psalm 116:16, 86:16, en toch zegt hij hier: dat zij hem in zonde heeft ontvangen, want hoewel zij door genade een kind Gods was, was zij van nature een dochter van Eva, en geen uitzondering op de algemene aard. Het moet door een ieder onzer ten zeerste betreurd worden dat wij een verdorven natuur met ons in de wereld gebracht hebben, allertreurigst ontaard van haar oorspronkelijke reinheid en rechtheid, wij hebben van onze geboorte af de strikken van de zonde in ons lichaam, de zaden van de zonde in onze ziel en een smet van zonde op beide. Dit is het wat wij erfzonde noemen, of oorspronkelijke zonde, omdat zij zo oud is als onze oorsprong, en omdat zij de oorsprong is van al onze dagelijkse zonden en overtredingen. Dat is de dwaasheid, die in het hart van de jongen gebonden is, de neiging tot kwaad, het achterlijk zijn voor het goede, dat de last is van de wedergeborenen en het verderf van de onwedergeborenen, het is een neiging om van God af te wijken.
III. Davids erkenning van de genade Gods, vers 8, Zijn welwillendheid jegens ons. Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste. "Gij wilt ons allen eerlijk en oprecht hebben, en getrouw aan onze belijdenis", en Zijn goed werk in ons, "in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend". Waarheid en wijsheid gaan ver om van een mens een Godvruchtige te maken. Een helder hoofd en een gezond hart wijsheid en oprechtheid, duiden de volmaakte mens Gods aan. Wat God van ons eist zal Hij zelf in ons werken, en Hij werkt het op regelmatige wijze, het verstand verlichtende, om aldus de wil te winnen. Maar hoe wordt dit hier nu te pas gebracht?
a. God wordt er door gerechtvaardigd. "Heere, Gij zijt niet de werker geweest van mijn zonde, geen blaam kan op U gelegd worden, ik alleen moet die dragen, want menigmaal hebt Gij mij vermaand om oprecht te zijn, hebt Gij mij datgene bekend gemaakt, hetwelk, zo ik er behoorlijk aan had gedacht, mij weerhouden zou hebben van in deze zonde te vallen, indien ik een goed gebruik had gemaakt van de genade, die Gij mij geschonken hebt, ik zou aan mijn oprechtheid hebben vastgehouden.
b. De zonde wordt er door verzwaard, Heere, Gij hebt lust tot waarheid, maar waar was zij toen ik tegen Uria heb geveinsd? Gij hebt mij wijsheid bekend gemarkt, maar ik heb naar die wijsheid niet gehandeld, niet geleefd."
c. Hij wordt er in zijn berouw door aangemoedigd, om te hopen dat God hem genadiglijk zal aannemen, want,
Ten eerste. God had hem oprecht gemaakt in zijn besluit om niet weer tot dwaasheid te keren, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, dat is het waar God op ziet in des zondaars bekeuring, namelijk dat er "in zijn geest geen bedrog is," Psalm 32:2. David was zich bewust van de oprechtheid zijns harten voor God in zijn berouw, en daarom twijfelde hij niet of God zou hem aannemen. Ten tweede Hij hoopte dat God hem bekwaam zou maken om zijn besluit na te komen, dat Hij hem in het verborgene, in de nieuwe mens, die de verborgen mens des harten genoemd wordt, 1 Petrus 3:4, wijsheid bekend zou maken, ten einde een ander maal de bedoelingen van de verleider te zien en te vermijden. Sommigen lezen het als een gebed: "Heere, in deze zaak heb ik zottelijk gedaan, maak mij in het vervolg wijsheid bekend." Waar waarheid is, zal God wijsheid geven, hun, die in oprechtheid pogen hun plicht te doen, zal hun plicht geleerd worden.