Psalm 18:1-20
Het opschrift zegt ons bij welke gelegenheid deze psalm geschreven werd, wij hadden het tevoren in 2 Samuël 22:1, alleen wordt ons hier nog gezegd dat de psalm overgegeven werd aan de opperzangmeester of voorzanger bij de tempelzangen. Dichtstukken van Godvrezende mensen, die zij ten eigen gebruik bestemd hadden, kunnen dienstbaar gemaakt worden voor het publiek, opdat anderen niet alleen licht verkrijgen van hun lamp, maar ook warmte van hun vuur. Voorbeelden kunnen soms beter onderwijzen dan voorschriften. En David wordt hier de dienstknecht des Heeren genoemd, zoals Mozes dat geweest is, niet alleen zoals ieder Godvruchtige een dienstknecht des Heeren is, maar omdat hij met zijn scepter, zijn zwaard en zijn pen de belangen van Gods koninkrijk in Israël grotelijks heeft bevorderd. Het was een grotere eer voor hem dat hij een dienstknecht des Heeren was, dan dat hij koning was van een groot koninkrijk, hij zelf heeft het aldus beschouwd, Psalm 116:16, "och Heere! zeker ik ben Uw knecht." In deze verzen:
1. Triomfeert hij in God en in zijn betrekking tot Hem. De eerste woorden van de psalm: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn sterkte, zijn vooraan gezet als het doel en de inhoud van het geheel. Liefde tot God is het eerste en grote gebod van de wet, omdat zij het beginsel is van onze Gode welbehaaglijken lof en van onze gehoorzaamheid, en dit gebruik moeten wij maken van al de zegeningen, die God ons schenkt, ons hart moet er door verruimd worden in liefde tot Hem. Dit eist Hij, en dit zal Hij aannemen, en wij zijn wel zeer ondankbaar, indien wij er tegenzin in hebben om Hem deze armoedige vergelding te doen. Deel te hebben aan de beminde persoon is het genot en de verlustiging van hem, die hem liefheeft, daarom roert hij hier deze snaar aan, vers 3. "De Heere, JHWH is mijn God", en dan: Hij is mijn steenrots, mijn burg, alles wat ik in mijn tegenwoordige benauwdheid nodig heb en kan begeren." Want er is in God datgene, hetwelk past voor alle behoeften en gelegenheden van Zijn volk, dat op Hem betrouwt. "Hij is men rots, mijn burg", dat is:
a. "Aldus heb ik Hem in de grootste gevaren en moeilijkheden bevonden."
b. "Ik heb Hem als zodanig gekozen, alle andere verwerpende en steunende op Hem alleen om mij te beschermen." Zij, die God waarlijk liefhebben, kunnen aldus in Hem triomferen als de hunne, en Hem met vertrouwen aanroepen, vers 4. Dit verdere gebruik moeten wij maken van onze uitreddingen, wij moeten niet alleen God te meer liefhebben, maar ook het gebed te meer liefhebben, Hem aanroepen zolang wij leven, inzonderheid in tijden van benauwdheid, met de verzekerdheid, dat wij aldus gered zullen worden, want alzo is er geschreven: "Een iegelijk, die de naam des Heeren zal aanroepen," "zal zalig worden," Handelingen 2:21.
II. Hij begeeft er zich toe om de verlossingen groot te maken, die de Heere voor hem gewrocht heeft, opdat hij zoveel ijveriger en hartelijker zal zijn in zijn lof. Het is goed voor ons om op al de bijzonderheden van een zegen te letten, waardoor de macht en goedertierenheid van God over ons verheerlijkt worden.
1. Hoe naderbij en dreigender het gevaar was, waaruit wij verlost werden, hoe groter de zegen is van de verlossing. David gedenkt nu hoe de krijgsmacht van zijn vijanden op hem aanstormde, die hij hier beken Belials noemt gehele troepen van de kinderen Belials, die hem door hun talrijkheid waarschijnlijk zullen overstelpen en overweldigen, hem zullen omsingelen. Zij overvielen hem en daardoor waren ze op het punt van hem te grijpen, hun strikken kwamen hem voor en toen er aldus van buiten strijd was, was er van binnen vrees en droefenis, vers 5,6. Zijn geest was in hem overstelpt en hij beschouwde zich als een verloren man, zie Psalm 116:3.
2. Hoe vuriger wij God gebeden hebben om redding en hoe meer direct ons gebed verhoord werd, hoe meer wij verplicht zijn om dankbaar te wezen. Met Davids verlossingen is dit zo geweest, vers 7. David werd een biddend man bevonden en God werd bevonden een God te zijn, die het gebed hoort. Indien wij bidden zoals hij gebeden heeft, dan zullen wij evenals hij wel slagen. Al is het ook de benauwdheid, die ons dringt tot bidden, zal God daarom niet doof voor ons wezen, ja meer, een God van ontferming zijnde, zal Hij dan te meer bereid zijn ons ter hulp te komen.
3. Hoe wonderbaarder Gods verschijningen zijn in enigerlei verlossing, zoveel groter is de verlossing, zodanig waren de verlossingen, die voor David gewrocht werden, waarin Gods openbaring van Zijn tegenwoordigheid en Zijn heerlijke eigenschappen op de prachtigste wijze beschreven worden, vers 8 en verv.
a. Weinig werd in deze verlossingen van de mens gezien, maar zeer veel van God. Hij verscheen als een God van almachtige kracht want Hij deed de aarde daveren en beven en beroerde zelfs de gronden van de bergen, vers 8, zoals vanouds de berg Sinaï. Als de mensen van de aarde beroerd waren van vrees, toen kon de aarde gezegd worden te beven, toen de groten van de aarde verward en beschaamd werden, toen werden de bergen bewogen.
b. Hij toonde Zijn misnoegen en toorn tegen de vijanden en vervolgers van Zijn volk. Hij was ontstoken, vers 8. Zijn toorn rookte, hij brandde, hij was van vuur, verterend vuur, vers 9, en kolen werden daarvan aangestoken. Zij, die zich door hun eigen zonde als kolen maken, dat is: tot brandstof voor dat vuur, zullen er door verteerd worden. Hij, die Zijn schichten verordent tegen de vervolgers, zendt ze uit wanneer het Hem behaagt en zij zullen ongetwijfeld het doel treffen, want deze schichten zijn bliksems, vers 15.
c. Hij toonde Zijn bereidwilligheid om de zaak van Zijn volk voor te staan en verlossing voor hen te werken, want Hij reed op een cherub en vloog ter handhaving van het recht en ter bevrijding van Zijn verdekte en benauwde dienstknechten, vers 11. Geen tegenstand kan Hem worden geboden, geen belemmering Hem in de weg worden gelegd, die vliegt op de vleugelen van de wind, die op de hemel vaart tot hulp van Zijn volk en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken.
d. Hij toonde Zijn neerbuigende goedheid door kennis te nemen van Davids zaak, Hij boog de hemel en daalde neer, vers 10. Hij zond geen engel maar kwam zelf, als een die benauwd is in de benauwdheid van Zijn volk.
e. Hij hulde zich in duisternis en gebood toch dat uit die duisternis het licht zou schijnen voor Zijn volk. Hij is een God, die zich verborgen houdt, Jesaja 45:15 want Hij heeft duisternis tot Zijn verberging gesteld vers 12. Zijn heerlijkheid is onzichtbaar, Zijn raad is ondoorgrondelijk en van Zijn daden geeft Hij geen rekenschap, en zo zijn, te opzichte van ons, wolken en donkerheid rondom Hem. Wij kennen de weg niet, die Hij neemt, zelfs niet als Hij in wegen van de genade tot ons komt, maar al zijn Zijn voornemens en bedoelingen verborgen, zij zijn vriendelijk, want ofschoon Hij zich verborgen houdt, is Hij toch de God Israëls, de Heiland. En van de glans, die voor Hem is, drijven Zijn wolken daarhenen, vers 13, de vertroosting keert weer, de zaken hebben een ander aanzien, en hetgeen donker en dreigend was, wordt weer kalm en lieflijk.
4. Hoe groter de moeilijkheden zijn, die op de weg van de verlossing liggen, hoe heerlijker de verlossing is. Om David te redden werden de wateren verdeeld totdat zelfs de kanalen of beddingen gezien werden, de aarde moest gekloofd worden totdat de gronden ontdekt werden, vers 16. Er waren vele en diepe wateren, wateren, waaruit hij opgetrokken moest worden vers 17, zoals Mozes, wiens naam aanduidde dat hij letterlijk uit het water was opgetrokken zoals David het was in overdrachtelijken zin. Zijn vijanden waren sterk en zij haatten hem, ware hij aan zichzelf overgelaten geweest, zij zouden te sterk voor hem geweest zijn vers 18. En zij waren te vlug voor hem, want zij hadden hem bejegend ten dage van zijn ongeval, vers 19. Maar temidden van zijn ellende was God zijn steun, zodat hij niet is verzonken. God zal niet alleen te bestemder tijd Zijn volk verlossen uit hun benauwdheid en ellende maar er hen in ondersteunen zolang die ellende duurt.
5. Wat de verlossing inzonderheid groot maakte was, dat zijn vertroosting er de vrucht, en Gods gunst er de wortel en bron van was.
a. Zij was een inleiding tot zijn verhoging vers 20, "Hij voerde mij uit in de ruimte, waar ik ruimte had, niet alleen om mij te keren en te wenden, mij te bewegen, maar ook om erin te groeien en te bloeien."
b. Het was een teken van Gods gunst jegens hem en dat maakte haar dubbel lieflijk. "Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij, niet om mijn verdienste, maar om Zijn eigen genade en welbehagen." Vergelijk dit met 2 Samuël 15:26. Indien Hij alzo zal zeggen: Ik heb geen wekgevallen aan u, hier ben ik. Wij zijn onze zaligheid, deze grootse verlossing, verschuldigd aan het welbehagen, dat God had in de Zoon van David, in wie Hij verklaard heeft een welbehagen te hebben.
Bij het zingen hiervan moeten wij triomferen in God en op Hem betrouwen. En wij kunnen het toepassen op Christus, de Zoon van David. "De smarten des doods omringden Hem, maar toen Hem bange was," "heeft Hij gebeden," Hebreeën 5:7. God heeft de aarde doen daveren en beven en de rotsen doen scheuren en heeft Hem door Zijn opstanding uitgevoerd in de ruimte, omdat Hij aan Hem en Zijn onderneming lust heeft gehad 22096-970414-2258-Ps18.21 Psalm 18:21-29
1. David denkt hier met vertroosting aan zijn oprechtheid, en verheugt zich in het getuigenis van zijn geweten, dat hij in Godvruchtige oprechtheid had gewandeld en niet in vleselijke wijsheid, 2 Corinthiers 1, 12. Zijn verlossingen waren een bewijs hiervan, en dit was de grote troost van zijn verlossingen. Zijn vijanden hadden hem verkeerd voorgesteld en misschien begon hij, toen zijn moeilijkheden lang aanhielden, zichzelf te wantrouwen, maar toen God blijkbaar zijn partij nam, had hij beide de eer en de vertroosting van zijn gerechtigheid.
A. Zijn verlossingen stelden zijn onschuld in het licht voor de mensen en spraken hem vrij van de misdaden, waarvan hij valselijk was beschuldigd. Dit noemt hij hem vergelden naar zijn gerechtigheid, vers 21, 25, uitspraak doende in de twistzaak tussen hem en zijn vijanden naar het rechtvaardige van zijn zaak en de reinheid van zijn handen, van het verraad en de rebellie, die hem ten laste waren gelegd. Hij had zich betreffende zijn onschuld dikwijls op God beroepen, en nu had God uitspraak gedaan in dat beroep, naar recht en billijkheid, gelijk Hij dat altijd doen zal.
B. Zij bevestigden het getuigenis van zijn eigen geweten voor hem, dat hij hier met grote blijdschap beschouwt en nagaat, vers 22-24. Zijn eigen hart weet en is bereid te getuigen:
a. Dat hij zich standvastig aan zijn plicht heeft gehouden en dat hij van zijn God niet is afgegaan, niet goddelooslijk niet moedwillig van Hem was afgegaan. Zij die de wegen des Heeren verlaten, gaan in werkelijkheid af van hun God, en het is zeer goddeloos dit te doen. Maar hoewel wij ons van menige struikeling bewust zijn, ons er van bewust zijn menige valse of verkeerde stap gedaan te hebben zal dit toch, als wij door berouw weer tot onszelf komen en dan voortgaan op de weg van onze plicht, niet gehouden worden voor een afgaan van God, het is geen goddeloze moedwillige verlating van onze God.
b. Dat hij het oog had gehouden op de regel van Gods geboden, vers 23. "Al Zijn rechten waren voor mij, ik heb op allen acht gegeven er geen van geminacht als onbeduidend, in geen er van tegenzin gehad als hard, maar er mij op toegelegd om naar allen te leven, mij naar allen te gedragen. Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg, niet buiten mijn gezicht, maar steeds heb ik er mijn oog op gehouden, en heb niet gedaan zoals zij, die, omdat zij de wegen des Heeren wilden verlaten, de kennis van die wegen niet begeerden.
c. Dat hij zich gewacht heeft voor zijn ongerechtigheden, en zich daardoor oprecht had betoond voor God. Een voortdurende zorg om af te laten van de zonde waarin die dan ook moge bestaan die ons het meest lichtelijk omringt en er de gewoonte van te vernietigen, zal een goed bewijs voor ons wezen dat wij oprecht zijn voor God. Gelijk Davids uitreddingen zijn oprechtheid in het licht stelden, zo heeft Christus' verhoging de Zijne voor aller ogen geopenbaard, en voor altijd de smaad weggenomen, die op Hem geworpen was, en daarom wordt Hij gezegd "gerechtvaardigd te zijn in de Geest," 1 Timotheus 3:16.
2. Hij neemt daaruit aanleiding om de regels aan te tonen van Gods goede regeringen van Zijn oordeel, opdat wij zouden weten niet alleen wat God van ons verwacht, maar ook wat wij kunnen verwachten van Hem, vers 26, 27. a.
a. Zij, die goedertierenheid betonen aan anderen (ook zij hebben genade nodig en kunnen niet steunen op de verdienste van hun werken van de barmhartigheid), zullen goedertierenheid van God ondervinden, Mattheus 5:7.
b. Zij, die getrouw zijn aan hun verbond met God en in de betrekking, waarin zij tot Hem staan, zullen Hem al datgene voor hen bevinden, wat Hij beloofd heeft voor hen te zijn. Overal waar God een oprecht mens vindt zal Hij een oprecht God worden bevonden.
c. Zij, die God dienen met een rein geweten, zullen bevinden dat de woorden des Heeren reine woorden zijn, waarop gerust staat gemaakt kan worden en die zeer lieflijk zijn om er zich in te verlustigen. d. Zij, die God weerstaan en in tegenheid met Hem wandelen zullen bevinden dat Hij hen zal weerstaan, en in tegenheid met hen zal wandelen, Leviticus 26:21, 24.
3. Vandaar dat hij van troost spreekt tot de nederige. "Gij verlost en redt het volk, dat verongelijkt wordt en het geduldig verdraagt." Maar hij spreekt van verschrikking tot de hoogmoedigen. "De hoge ogen vernedert Gij, hen, die naar hoogheid staan, grote verwachtingen hebben voor henzelf, en met spot en verachting nederzien op de armen en Godvruchtigen." En tot zichzelf spreekt hij van bemoediging: "Gij doet mijn lamp lichten, Gij zult mijn terneergeslagen ziel vertroosten en verlevendigen, en mij niet neerslachtig laten blijven, Gij zult mij opheffen uit mijn ellende en mij weer tot vrede en voorspoed doen komen, Gij zult mijn eer, die nu omfloerst is, weer helder doen schitteren, Gij zult mij leiden op de weg en hem effen voor mij maken opdat ik de strikken vermijde, die voor mij gelegd zijn. Gij doet mijn lamp lichten, opdat ik er bij zien moge om te werken, en om mij de gelegenheid te geven om U en de belangen van Uw koninkrijk onder de mensen te dienen."
Laat hen, die in duisternis wandelen en arbeiden temidden van veel ontmoediging, bij het zingen van deze verzen zich bemoedigen in het vertrouwen, dat God zelf hun een licht zal wezen.