14. En elk een der vier dieren of levende wezens, zo als zij in
Hoofdstuk 1:8, werden genoemd, had, gelijk reeds daar is meegedeeld, vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht eens Cherubs 1) (volgens
Hoofdstuk 1:10 een os of stier), en het tweede aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het derde het aangezicht eens leeuws, en het vierde het aangezicht eens arends.
1) De verwisseling van het aangezicht van een os met dat van den Cherub is niet aan een schrijffout toe te schrijven, gelijk sommigen menen, maar heeft o. i. zijn reden in de geestelijke betekenis van die levende wezens. Niet het aangezicht van den leeuw of van den arend, of van den mens wordt verwisseld maar dat van den os, dewijl laatstgenoemd dier het beeld is der dienende werkzaamheid. Ook de Cherubim waren dienende wezens en daarom heeft God hem nu het aangezicht van een Cherub getoond.