Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 10
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
DAARNA
1
zag ik, en zie, boven het
2
uitspansel hetwelk was over het hoofd der
3
cherubs, was als een
4
saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis eens
5
troons;
en
6
Hij verscheen
7
op dezelve.
2
En Hij sprak tot
8
den Man, bekleed met linnen, en Hij zeide: Ga in
9
tot tussen de
10
wielen,
11
tot onder den cherub, en vul Uw vuisten met
12
vurige kolen
13
van tussen de cherubs en
14
strooi ze over de stad. En
15
Hij ging in
16
voor mijn ogen.
3
De cherubs nu stonden
17
ter rechterzijde
18
van het huis, als diezelve Man inging; en een
19
wolk vervulde het
20
binnenste voorhof.
4
Toen hief zich
21
de heerlijkheid des HEEREN omhoog
22
van boven den
23
cherub,
24
op den dorpel van het
25
huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het
26
voorhof was vol van den glans der heerlijkheid des HEEREN.
5
En het
27
geruis van de
28
vleugelen der
29
cherubs werd gehoord tot
30
het uiterste voorhof,
31
als de stem des
32
almachtigen Gods, wanneer Hij spreekt.
6
Het geschiedde nu als
33
Hij den Man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem
34
vuur
35
van tussen de wielen, van tussen de cherubs, dat hij inging en stond bij
36
een rad.
7
Toen stak
37
een cherub zijn hand uit van tussen de cherubs, tot het vuur, hetwelk was tussen de cherubs, en nam
daarvan
, en gaf het in de vuisten Desgenen Die met linnen bekleed was; Die nam het en
38
ging uit.
8
Want
39
er werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van eens mensen
40
hand onder hun vleugelen.
9
Toen zag ik, en zie,
41
vier raderen waren bij
42
de cherubs;
43
één rad was bij elken cherub; en de gedaante der raderen
a
was als de verve van een
44
turkooissteen.
10
En aangaande hun gedaanten, die vier hadden
45
enerlei gelijkenis,
46
gelijk of het ware geweest een rad in het midden van een rad.
11
Als
47
die gingen, zo gingen
48
deze
op hun vier zijden;
49
zij keerden zich niet om als zij gingen; maar de plaats waarheen het
50
hoofd zag, die volgden zij na; zij keerden zich niet om als zij gingen.
12
51
Hun ganse
52
lichaam nu, en hun ruggen en hun handen en hun vleugelen, mitsgaders de raderen, waren vol ogen rondom;
53
die vier hadden hun raderen.
13
Aangaande de raderen, elkeen derzelve werd
54
voor mijn oren genaamd Galgal.
14
En
55
elkeen had vier aangezichten: het
56
eerste aangezicht was het aangezicht eens
57
cherubs, en het tweede aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het derde het aangezicht eens leeuws, en het vierde het aangezicht eens arends.
15
En die cherubs hieven zich omhoog;
58
dit was hetzelfde dier dat ik bij de rivier Chebar gezien had.
16
b
En als de cherubs gingen, zo gingen die raderen nevens dezelve; en als de cherubs hun vleugelen ophieven om zich van de aarde omhoog te heffen, zo keerden zich diezelve raderen ook niet om van bij hen.
17
Als
59
die stonden, stonden
60
deze
, en als die opgeheven werden, hieven zich deze
ook
op;
c
61
want de Geest der dieren was in hen.
18
Toen ging
62
de heerlijkheid des HEEREN
63
van boven den dorpel des huizes weg, en
64
stond boven de cherubs.
19
En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog
65
voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren
66
tegenover hen; en elkeen
67
stond aan de deur
68
der Oostpoort van het huis des HEEREN; en de heerlijkheid van den God Israëls was van boven over
69
hen.
20
70
Dit is het dier dat ik zag
71
onder den God Israëls
d
bij de rivier Chebar; en ik
72
bemerkte dat het cherubs waren.
21
e
Elkeen had vier aangezichten, en elkeen had vier vleugelen; en de gelijkenis van mensenhanden was onder hun vleugelen.
22
En aangaande de gelijkenis van hun aangezichten, het waren dezelfde aangezichten die ik gezien had bij de rivier Chebar, hun gedaanten en zij zelven;
73
zij gingen ieder rechtuit voor zijn aangezicht heen.