8. Want deze rechtvaardige man, wonend onder hen, onder die ontuchtige lieden, heeft dag op dag, zijn rechtvaardige ziel, die over hun wandel smart voelde, gekweld door het zien en horen van hun ongerechtige werken (
Psalm 119:53,
158).
Behalve het voorbeeld van een oordeel door water, waarop de apostel heeft gewezen met de woorden: "Hij heeft de zondvloed over de wereld van de goddelozen gebracht", haalt hij nog het voorbeeld aan van een gericht aan Sodom en Gomorra door vuur voltrokken. Om die tegenstelling plaatst hij het "tot as verbrandende" voor het "met omkering veroordeeld heeft", zodat nadrukkelijk verbranding genoemd wordt als datgene, waardoor God die steden tot verwoesting veroordeelde. Het is een opmerkelijke uitdrukking, die echter gekozen is om te zeggen, dat God deze steden niet op dezelfde wijze tot verwoesting veroordeelde als andere, waaraan Zijn vonnis door mensenhand werd volvoerd; maar de veroordeling ervan tot verwoesting uitsprak in de vuurvlammen, die Hij zelf neerzond, om ze in as te leggen. Juist hierdoor heeft Hij ze tot een blijvend voorbeeld gemaakt van degenen, die later goddeloos zouden leven, in zoverre namelijk ook hun veroordeling daarin zal bestaan, dat het wereldverterend vuur, zoals de apostel in Hoofdstuk 3:7, zal uiteenzetten, hen aangrijpt en hen aan de eeuwige dood overlevert. Om de voorafbeelding stelt hij naast het oordeel, dat als een gericht over de gehele aarde voorspel van het toekomstige is, maar een gericht door water was, dat haar overstroomde (Vers 5), ook dat, dat over Sodom en Gomorra is gekomen. Hierbij komt echter nog het tweede, dat, zoals daar Noach bewaard werd, zo hier Lot werd gered. Zo zullen de rechtvaardigen gered worden, als het vuur van het toekomstige gericht de goddelozen aangrijpt, van wier zedeloze wandel zij in de laatste tijd en tot op dit ogenblik evenals Lot te lijden zullen hebben. Ook in dit opzicht bestaat een voorafschaduwing tussen hetgeen toen geschied is en dat wat eens zal geschieden. Daarom zet de apostel uiteen, van welk een doorgestaan lijden Lot door zijn redding tegelijk bevrijd is geworden. Door gezicht en gehoor, zegt hij; kwelde de rechtvaardige, temidden van de goddelozen levende, dag aan dag de rechtvaardige ziel over hun misdadig handelen; in die zin dus was het "vermoeid zijn van de ontuchtige wandel van de gruwelijke mensen" bedoeld. Niet dat hem uitwendige schade daardoor overkwam, was zijn lijden, maar dat hij zien en horen moest, wat rondom hem voorviel en hij zag en hoorde het niet als iets, dat hem de rechtvaardige niet aanging, maar het werd hem tot een kwelling van de ziel, omdat hij het ter harte nam. Zo betaamt het de rechtvaardige en zo'n smart zullen zij moeten uitstaan, als zij in de laatste tijd te midden van een ontuchtig geslacht leven.
Voor hen, die God de weg van de waarheid en gerechtigheid heeft leren kennen, is het geen gering lijden om onder een goddeloos volk te wonen; men lijdt er onder door ijver voor Gods eer, maar men lijdt ook, omdat men ervaart, dat men zelf nog in het vlees woont, waarin door kwade voorbeelden nog veel kan worden opgerakeld. Men lijdt veel om vrouw, kinderen, huisgenoten, die men niet genoeg weet te bewaren, zoals dan ook werkelijk in Lots vrouw en dochters veel openbaar is geworden, waarvan reeds vroeger het zaad aan deze huisvader niet geheel zal zijn verborgen gebleven. Ook gaat het vaak niet zonder aanklagende en kwellende gedachten, als een Lot bedenkt hoe hij naar Sodom is gekomen, hoe hij zich van zijn goede oom Abraham heeft gescheiden en men denkt bij zijn kwellingen er vaak over, of en hoe een verandering teweeg gebracht zou kunnen worden. Bij de tegenwoordige wereld heet dat zeker het hoofd laten hangen, zwaarmoedigheid, nodeloos oordelen, waarmee men anderen lastig valt, maar het zien van God op de kinderen van de mensen, die zuchten over al de gruwelen, die geschieden, is daarmee niet weggenomen.