2 Koningen 6:13-23
I. Hier is de grote krijgsmacht, die de koning van Syrië zond om Elisa gevangen te nemen. Hij vernam waar hij zich bevond, namelijk te Dothan, dat niet ver was van Samaria, daarheen zond hij een sterk leger van krijgslieden, die hem `s nachts moesten overvallen, en hem dood of levend tot de koning moesten brengen, vers 14. Misschien had hij gehoord dat toen slechts een hoofdman met zijn vijftigen gezonden was om Elia gevangen te nemen, hij teleurgesteld was in zijn poging daartoe, en daarom zond hij nu een leger tegen Elisa, alsof het vuur van de hemel, dat vijftig man had verteerd, niet even gemakkelijk vijftig duizend kon verteren. Naäman kon hem zeggen dat Elisa in geen versterkte plaats woonde, noch door wachten omgeven was, noch grote invloed had onder het volk, zodat hij voor geen tumult, geen volksoploop beducht behoefde te wezen, waartoe was dan zo groot een krijgsmacht nodig? Maar aldus hoopte hij zich van hem te verzekeren, inzonderheid als hij hem aldus plotseling overviel. Dwaas! Geloofde hij, ja of neen, dat Elisa de koning van Israël zijn geheime raadslagen mededeelde? Zo neen, wat had hij dan tegen hem? Zo ja, kon hij dan zo onnozel zijn om te denken dat hij de raadslagen niet zou ontdekken, die tegen hemzelf gericht waren, en dat hij, invloed genoeg hebbende in de hemel om ze te ontdekken, geen invloed genoeg zou hebben om ze teniet te doen? Zij, die tegen God, tegen Zijn volk en Zijn profeten strijden, weten niet wat zij doen.
II. De grote vrees, die de dienaar van de profeet beving, toen hij bemerkte dat de stad door de Syriërs was ingesloten, en het krachtige middel door de profeet aangewend om hem gerust te stellen en zijn vrees weg te nemen. Elisa schijnt zijn dienaar gewend te hebben om vroeg op te staan, dat is het middel om iets tot stand te brengen, het werk van de dag op zijn dag te doen. Op zijnde, hoorde hij het gedruis van krijgsvolk, toen zag hij uit, en bemerkte dat de stad door een legermacht omsingeld was, vers 15, welk leger ongetwijfeld geheel verzekerd was van succes, en dat zij de lastige profeet weldra in handen zullen hebben. Merk nu op:
1. In welk een ontsteltenis hij kwam, hij gaat terstond tot Elisa om er hem bericht van te geven. "Ach, mijn heer," zegt hij, "hoe zullen wij doen? Wij zijn verloren, wij kunnen er niet aan denken om te strijden of om te vluchten, wij moeten hun onvermijdelijk in handen vallen." Had hij slechts Davids psalmen bestudeerd, die toen reeds bestonden, hij zou hebben kunnen leren "niet te vrezen voor tien duizenden des volks," Psalm 3:7, ja ook dan niet, "ofschoon een leger hem belegerde," Psalm 27:3. Had hij bedacht dat hij in gezelschap was van zijn meester, door wie God grote dingen had gedaan, en die Hij nu niet in de handen van de onbesnedenen zou laten vallen, en die, anderen verlost hebbende, ongetwijfeld ook zichzelf kon verlossen, hij zou niet aldus ten einde raad geweest zijn. Indien hij slechts gezegd had: Hoe zal ik doen? het zou meer te verontschuldigen zijn geweest, zoals de noodkreet van de discipelen toen zij riepen: "Heere behoud ons, wij vergaan!" maar hij behoefde er zijn meester niet bij in te sluiten als zijnde ook in nood, zeggende: Hoe zullen wij doen?
2. Hoe zijn meester hem geruststelde:
A. Door woorden. Wat hij tot hem zei, vers 16, is gezegd tot alle getrouwe dienstknechten Gods, als er van buiten strijd is en van binnen vrees. Vrees niet met de vrees, die pijn heeft, want die bij ons zijn om ons te beschermen, zijn meer dan die bij hen zijn om ons te verderven, engelen, oneindig meer talrijk, God oneindig machtiger." Als wij ons de redenen van onze vrees zo groot voorstellen, dan moeten wij heldere, grote, hoge gedachten koesteren van God en de onzichtbare wereld. "Als God voor ons is," wij weten wat volgt, Romeinen 8:31.
B. Door een visioen, vers 17..
a. Er scheen Elisa veel aan gelegen te zijn dat zijn dienaar gerustgesteld en tevreden zal zijn. Godvruchtige mensen begeren niet slechts zelf gerust te zijn, maar ook dat degenen, die hen omringen, gerust zullen wezen. Elisa had onlangs zijn vorige dienaar weggezonden, en deze, die nu pas in zijn dienst was gekomen had het voorrecht en voordeel nog niet van ervaring, daarom wenste zijn meester hem een ander overtuigend bewijs te geven van de Almacht, die hem gebruikte, en die dus ook voor hem gebruikt werd. Zij, wier geloof sterk is, moeten medelijden hebben met hen, wier geloof zwak is en die van een vreesachtige geest zijn, en doen wat zij kunnen om hun handen te sterken.
b. Hij zag zich veilig en verlangde niets meer, dan dat zijn dienaar zou zien wat hij zag, namelijk een wacht van engelen om zich heen, dezulken, die zijn meester naar de poorten van de hemel hebben gevoerd, waren zijn beschermers tegen de poorten van de hel vurige wagens en vurige paarden. Vuur is schrikwekkend en verterend, de macht, die gebruikt werd voor Elisa's bescherming, kon de aanvallers verschrikken en verteren. Gelijk engelen Gods boden zijn, zo zijn zij ook Zijn krijgslieden, Zijn legerscharen, Genesis 32:2 Zijn legioenen, of regimenten, Mattheus 26:53 ten goede van Zijn volk.
c. Om zijn dienaar gerust te stellen was er niets meer nodig dan dat zijn ogen geopend werden, daar heeft hij voor hem om gebeden, en dat heeft hij voor hem verkregen: Heere, open toch zijn ogen. dat hij zie. Zijn lichamelijke ogen waren open en daarmee zag hij het gevaar. "Heere, open de ogen van zijn geloof, opdat hij daarmee de bescherming zie, waaronder wij ons bevinden." De grootste weldaad, die wij bewijzen kunnen aan hen die vreesachtig en kleinmoedig zijn is voor hen te bidden, en hen aldus aan de machtige genade Gods te bevelen. Het openen van onze ogen zal onze vrees tot zwijgen brengen, in het donker zijn wij altijd vreesachtig, hoe helderder blik wij hebben op de soevereiniteit en macht van de hemel, hoe minder wij de rampen van deze aarde zullen vrezen.
III. De schandelijke nederlaag, die Elisa het leger toebracht, dat gekomen was om hem gevangen te nemen, zij dachten hem tot hun prooi te hebben, maar hij stak de draak met hen, zover was hij van hen, of enig kwaad van hen, te vrezen.
1. Hij bad God hen met verblindheid te slaan en allen werden zij terstond met verblindheid geslagen. Zij waren niet stekeblind, noch waren zij er zich van bewust verblind te zijn, want zij konden het licht zien, maar hun gezichtsvermogen was zó veranderd, dat zij de personen en de plaatsen niet konden herkennen waarmee zij vroeger bekend waren, vers 18. Zij waren zó in de war, dat diegenen onder hen op wie zij vertrouwden voor het bericht, niet wisten dat de plaats waar zij zich bevonden Dothan was, noch dat de persoon met wie zij spraken, Elisa was, zij "tastten en stieten zich op de middag als in de schemering," Jesaja 59:10, Job 12:24, 25, hun geheugen en hun onderscheidingsvermogen faalden. Zie de macht van God over de geest en het verstand van de mensen naar beide zijden: Hij verlichtte de ogen van Elisa's vriend, en verduisterde de ogen van zijn vijanden, zodat zij wel zagen, maar niet bemerkten, Jesaja 6:9. Voor dit tweeledig oordeel is Christus in de wereld gekomen, namelijk "Opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden," Johannes 9:39, voor sommigen een reuk des levens, voor anderen een reuk des doods.
2. Toen zij aldus verbijsterd en verward waren, voerde hij hen naar Samaria, vers 19, hun belovende dat hij hun de man zou tonen, die zij zochten, en hij deed het. Hij loog hun niet toen hij hun zei: Dit is de weg niet, en dit is de stad niet, waar Elisa is, want hij was nu buiten de stad gekomen, en, als zij hem wilden zien, dan moesten zij naar een andere stad gaan, waar hij hen heen zal leiden, zij die strijden tegen God en Zijn profeten bedriegen zichzelf, en worden rechtvaardig aan hun eigen begoocheling overgelaten.
3. Toen hij hen naar Samaria gebracht had, bad hij God dat Hij hun ogen zou openen opdat zij zouden zien waar zij waren, vers 20 en zie, tot hun grote verschrikking waren zij in het midden van Samaria, waar naar alle waarschijnlijkheid een genoegzame krijgsmacht aanwezig was om hen allen te verdelgen of hen tot krijgsgevangenen te maken. Satan, de god van deze wereld, verblindt der mensen ogen en misleidt hen aldus, zodat hij hen ten verderve voert, maar als God hun ogen verlicht, dan zien zij zich temidden van hun vijanden, gevangen in de macht van Satan en in gevaar van de hel, hoewel zij tevoren dachten dat hun staat goed was. De vijanden van God en Zijn kerk zullen, als zij zich verbeelden te kunnen triomferen, zichzelf overwonnen zien en bemerken dat er over hen getriomfeerd wordt.
4. Toen hij hen in zijn macht had, deed hij blijken dat hij onder de invloed was van Goddelijke goedheid, zowel als van Goddelijke macht.
1. Hij droeg zorg om hen te beschermen tegen het gevaar, waarin hij hen gebracht had, en vergenoegde zich er mee hun te tonen wat hij had kunnen doen, hij behoefde het zwaard niet van een engel om zijn twistzaak te wreken het zwaard van de koning Israëls staat hem ten dienste, zo hij er gebruik van wil maken, vers 21. Zal ik hen slaan, mijn vader (zo eerbiedig spreekt hij nu tot hem, hoewel hij hem spoedig daarna de dood zwoer), zal ik hen slaan? En wederom, alsof hij verlangde hen aan te vallen: Zal ik hen slaan? Misschien gedacht hij hoe misnoegd God was op zijn vader omdat hij diegenen uit zijn handen liet ontkomen, die Hij in zijn macht had gegeven om hen te verderven, en wilde hij niet op gelijke wijze overtreden. Maar hij heeft zo'n eerbied voor de profeet, dat hij geen slag wil geven zonder zijn opdracht. Maar de profeet wilde volstrekt niet dat hij zich met hen zou bemoeien, zij waren hier gebracht om overtuigd en beschaamd, niet om gedood te worden, vers 22. Indien zij zijn gevangenen waren, die hij met zijn zwaard en zijn boog gevangen had, en hem toen om lijfsgenade vroegen, het zou barbaars zijn geweest haar te weigeren, en indien hij haar hun had verleend, het zou vals en verraderlijk zijn hun leed te doen, en tegen de wetten van de eer, maar zij waren zijn gevangenen niet, zij waren Gods gevangenen en van de profeet, en daarom moet hij hun geen leed doen. Zij, die zich verootmoedigen onder de hand Gods, nemen de beste maatregelen om zich te beveiligen.
2. Hij droeg zorg om hen van spijs te voorzien, hij beval de koning hen goed te onthalen en hen dan te laten gaan, hetgeen hij deed, vers 24.
a. Het was prijzenswaardig in de koning, dat hij tegen zijn eigen neiging, en naar het scheen, tegen zijn belang, 1 Samuël 24:19, de profeet zo gehoorzaam was. Ja zo gaarne wilde hij Elisa verplichten, dat hij, terwijl hem slechts bevolen was hun brood en water voor te zetten (en dat is een goede kost voor gevangenen) hun een grote maaltijd bereidde, om de eer op te houden van zijn hof en zijn land en van Elisa.
b. Het was loffelijk van de profeet, dat hij zo edelmoedig was jegens zijn vijanden, die, hoewel zij gekomen waren om hem gevangen te nemen, niet konden heengaan zonder hem te bewonderen als de machtigste en de vriendelijkste man die zij ooit ontmoet hadden. De grote plicht om onze vijanden lief te hebben en goed te doen aan degenen, die ons haten, was in het Oude Testament zowel geboden, Spreuken 25:21, 22. "Indien degene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten, " Exodus 23:4, 5, als beoefend, zoals hier door Elisa. Zijn voorganger had een proeve gegeven van de Goddelijke gerechtigheid, toen hij vlammen vuur deed komen op de hoofden van zijn vervolgers om hen te verteren, maar hij gaf een proeve van Goddelijke goedertierenheid, door vurige kolen op hun hoofd te hopen, om hen te vertederen, zo laat ons dan niet overwonnen worden door het kwade, maar het kwade overwinnen door het goede.
Eindelijk. De goede uitwerking, die dit voor het ogenblik had op de Syriërs, zij kwamen niet meer in het land Israëls, namelijk met het doel om Elisa gevangen te nemen, zij zagen dat dit vruchteloos was, geen van hun benden wilde er zich meer toe lenen, om zo'n groot en goed man aan te vallen. De glorierijkste overwinning, behaald over een vijand is die, waardoor hij in een vriend wordt veranderd.