Exodus 32:7-14
Hier:
I. Maakt God Mozes bekend met hetgeen in zijn afwezigheid in het leger voorviel, vers 7, 8. Hij zou het hem eerder hebben kunnen meedelen, zodra er de eerste stap toe gedaan was, en hem ijlings naar beneden kunnen zenden om het te voorkomen, maar om wijze en heilige doeleinden liet Hij het tot die hoogte komen, en zond hem toen naar beneden om het te straffen. Het is geen schande voor de heiligheid van God, dat Hij toelaat dat zonde bedreven wordt, daar Hij haar niet slechts weet te weerhouden, als Hem dit behaagt, maar haar ook dienstbaar weet te maken aan Zijn eigen doeleinden, aan Zijn eigen eer en heerlijkheid. Let op hetgeen God hier tot Mozes zegt betreffende deze zonde.
1. Zij hebben zich verdorven. Zonde is het verderf of bederf van de zondaar, en het is een zelfbederf, een ieder wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.
2. Zij zijn afgeweken van de weg. Zonde is een afwijking van de weg van onze plicht naar een bijweg. Toen zij beloofden te zullen doen al wat God hun zou gebieden, zijn zij zo goed mogelijk op weg gegaan, maar nu gingen zij aan het dwalen, zij weken af.
3. Dat zij haastig waren afgeweken, spoedig nadat hun de wet was gegeven en zij beloofd hadden haar te gehoorzamen, spoedig nadat God zulke grote dingen voor hen gedaan had, en hun Zijn vriendelijke voornemens had te kennen gegeven om nog grotere voor hen te doen. Zij vergaten haast Zijn werken. Het is zeer tergend, zeer ergerlijk om, nadat wij ons verbond met God vernieuwd hebben, of een bijzondere zegen van Hem hebben ontvangen, haastig in zonde te vallen.
4. Hij zegt hem nauwkeurig wat zij gedaan hebben: zij hebben een gouden kalf gemaakt en zich er voor gebogen. De zonden, die verborgen zijn voor onze regeerders, zijn naakt en geopend voor God. Hij ziet wat zij niet kunnen ontdekken, en er is geen slechtheid van de wereld voor Hem verborgen. Wij zouden het niet kunnen dragen om ook maar het duizendste deel van de terging te zien, die God dagelijks ziet, en toch zwijgt.
5. Hij schijnt hen te verstoten, daar Hij tot Mozes zegt: Zij zijn uw volk, dat gij uit Egypteland hebt opgevoerd, alsof Hij zei: "Ik wil generlei betrekking tot hen erkennen, noch enigerlei belang in hen, laat er niet gezegd worden dat zij Mijn volk zijn, of dat Ik hen uit Egypteland heb opgevoerd." Zij, die zich verderven, onteren zich niet slechts, maar zij maken dat God zich voor hen schaamt, ja zich zelfs de goedheid en vriendelijkheid schaamt, die Hij hun heeft bewezen.
6. Hij zendt hem met alle mogelijke spoed tot hen naar beneden, Ga heen, klim af. Zelfs zijn gemeenschapsoefening met God moet hij afbreken, om heen te gaan en zijn plicht te doen als magistraat van het volk, dat heeft ook Jozua moeten doen, Jozua 7:10. Alles is voortreffelijk op zijn tijd.
II. Hij geeft Zijn ongenoegen tegen Israël te kennen vanwege deze zonde, en het besluit van Zijn gerechtigheid om hen te verdelgen, vers 9, 10. 1. Hij beschrijft dit volk in hun ware hoedanigheid: "Het is een hardnekkig volk", ongeschikt om onder het juk te komen van de Goddelijke wet, beheerst, als het ware, door een geest van tegenspraak, afkerig van alle goed en geneigd tot alle kwaad, halsstarrig gekant tegen alle methodes voor hun genezing." De rechtvaardige God ziet niet slechts wat wij doen, maar wat wij zijn, niet slechts de daden van ons leven, maar de gezindheid van ons hart, en die heeft Hij bij al Zijn handelingen op het oog.
2. Hij verklaart wat zij rechtvaardig verdiend hebben-dat Zijn toorn tegen hen zal ontsteken, om hen terstond te verteren, en hun naam van onder de hemel weg te doen, Deuteronomium 9:14, niet slechts hen uit het verbond te werpen, maar hen te verjagen van uit de wereld. Zonde stelt ons bloot aan de toorn Gods, en die toorn zal-zo hij niet door Goddelijke ontferming gestild wordt-ons verbranden als stoppelen. Het ware rechtvaardig van God om het recht zijn loop te laten gaan tegen zondaren, en hen op het ogenblik zelf dat zij de zonde bedrijven, af te snijden, en indien Hij het deed, het zou noch een verlies voor Hem zijn, noch Hem onteren.
3. Hij verlangt van Mozes (hoewel op zeer zachtmoedige wijze) niet voor hen tussenbeide te treden, "En nu, laat Mij toe." Wat deed Mozes, of wat kon hij doen, om God te beletten hen te verteren? Als God besluit een volk te verlaten, en het raadsbesluit van het verderf is uitgegaan, dan kan geen tussenbeide-treden, geen voorbede, dit verhinderen, Ezechiël 14:14, Jeremia 15:1. Maar God wilde aldus de grootheid van Zijn rechtvaardig ongenoegen tegen hen te kennen geven, zoals mensen, die niet willen dat men bij hen pleit voor degenen, jegens wie zij besloten zijn streng te wezen. Aldus heeft Hij ook het gebed willen eren, te kennen gevende, dat niets dan Mozes voorbede hen van de ondergang kon redden, opdat hij een type zou zijn van Christus, door wiens Middelaarsvoorbede alleen, God de wereld met zichzelf wilde verzoenen. Opdat Mozes voorbede des te krachtiger en heerlijker zou uitkomen, biedt God hem aan, hem, zo hij in deze zaak niet tussenbeide wilde komen, tot een groot volk te maken, hetzij Hij in verloop van tijd een volk zou verwekken uit zijn lenden, of wel, op de een of andere wijze een groot volk onder zijn leiding en bestuur zou brengen, zodat hij niets zou verliezen bij hun verderf. Indien Mozes enghartig, zelfzuchtig van aard ware geweest, hij zou dit aanbod hebben aangenomen, maar hij geeft de voorkeur aan Israëls redding en behoud boven de bevordering van zijn eigen gezin. Hier was een man, die geschikt is om te regeren.
III. Mozes bidt God vurig voor hen, vers 11-13 Hij aanbad het aangezicht des Heeren zijns Gods. Indien God niet de God Israëls wilde genoemd worden, dan hoopte hij toch dat hij Hem zijn God mocht noemen. De invloed, die wij hebben bij de bron der genade moeten wij gebruiken voor de kerk Gods, niet voor onze eigen vrienden.
Nu staat Mozes in de bres om de toorn Gods af te wenden, Psalm 106:23. Zeer verstandig handelde hij naar de wenk, die God hem gaf, toen Hij zei: Laat Mij toe, hetgeen wel zijn voorbede schijnbaar verbood, maar in werkelijkheid haar aanmoedigde, door te tonen welke macht het gebed van het geloof heeft bij God. In zo'n geval "ontzet Hij zich omdat er geen voorbidder is," Jesaja 59:16.
Merk op:
1. Zijn gebed, vers 12. Keer af van de hittigheid Uws toorns, niet alsof hij dacht dat God niet rechtvaardig in toorn was ontstoken, maar hij bidt dat God niet in zo'n grote toorn ontstoken zal zijn om hen te verteren. "Laat de barmhartigheid roemen tegen het oordeel, laat het U over het kwaad Uws volk berouwen, verander het vonnis van verderf in een vonnis van tuchtiging." 2. Zijn pleitgronden. Hij vult zijn mond met verdedigingen, niet om God te bewegen, maar om uitdrukking te geven aan zijn eigen geloof, en om zijn vurigheid op te wekken in het gebed. Hij voert aan:
a. Gods belang in hen, de grote dingen, die Hij reeds voor hen gedaan heeft, de menigte van gunsten en wonderen, die Hij aan hen ten koste heeft gelegd, vers 11. God had tot Mozes gezegd, vers 7 :Zij zijn Uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, maar Mozes voert hen ootmoedig terug tot God en zegt: "Zij zijn Uw volk, Gij zijt hun Heer en Eigenaar, ik ben slechts Uw dienaar, Gij hebt hen uit Egypteland opgevoerd ik was slechts het werktuig in Uw hand, wat voor hun bevrijding gedaan is, hebt Gij alleen kunnen doen." Hoewel het feit dat zij Zijn volk waren een reden was, waarom Hij vertoornd op hen kon zijn wegens hun oprichting van een andere god, was het toch ook een reden waarom Hij niet zo toornig op hen moest zijn om hen te verteren. Niets is voor een vader meer natuurlijk dan om zijn zoon te kastijden, maar niets is voor een vader meer onnatuurlijk dan om zijn zoon te doden. En gelijk de betrekking tussen Hem en hen een goede pleitgrond is, ("Zij zijn Uw volk") zo is dit ook de ervaring, die zij hadden van Zijn vriendelijkheid jegens hen: "Gij hebt hen uit Egypteland opgevoerd, hoewel zij onwaardig waren en aldaar "de goden van de Egyptenaren hadden gediend" Jozua 24:15. Indien Gij, niettegenstaande hun zonden in Egypte, dat voor hen gedaan hebt, wilt Gij dit dan vanwege hun zonden van dezelfde soort in de woestijn weer ongedaan maken?"
b. Hij pleit op het belang van Gods eer en heerlijkheid, vers 12 :Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: in kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd? Israël is aan Mozes dierbaar, als zijn geslacht, als zijn bloedverwanten, als de voorwerpen van zijn zorg, maar het is de eer van God, die hem het meest ter harte gaat. Indien Israël kon omkomen zonder dat Gods naam er door gesmaad wordt, dan zou Mozes er zich toe kunnen brengen om er tevreden onder neer te zitten, maar hij kan het niet verdragen om boze aanmerkingen te horen maken op God, en daarom wijst hij hierop, dringt hij hierop aan, Heere, wat zullen de Egyptenaars zeggen? Hun ogen, evenals de ogen van alle naburige volken, waren thans op Israël gevestigd, vanwege het wonderbare begin van dit volk waren hun verwachtingen omtrent het vervolg van hun loopbaan hoog gespannen, maar indien een volk, zo wonderbaarlijk verlost, plotseling ten ondergang zou worden gebracht, wat zou de wereld er dan van zeggen, inzonderheid de Egyptenaars, die zo'n onverzoenbare haat koesterden tegen Israël en tegen Israëls God? Zij zullen zeggen: "God was of zwak en kon de verlossing, die Hij was begonnen, niet voltooien, of wispelturig en wilde het niet, Hij heeft hen uitgevoerd naar die berg, niet om te offeren, zoals werd voorgegeven, maar om geofferd te worden." Zij zullen niet in aanmerking nemen dat Israël door zijn zonde dit verderf over zich heeft gebracht, dat hun terging Gods handelwijze rechtvaardigde, maar zij zullen er reden genoeg in vinden om te juichen, dat God en Zijn volk niet samen overeen konden komen, en dat God datgene gedaan heeft, wat zij-de Egyptenaren-wensten dat gedaan zou worden. Gelijk de heiliging van Gods naam onze eerste bede moet wezen, (zij is dit in het gebed onzes Heeren) zo moet zij ook onze grote pleitgrond zijn, Psalm 79:9. "Werp de troon Uwer heerlijkheid niet neer," Jeremia 14:21, zie ook Jeremia 33:8, 9. En als wij getroost hierop willen pleiten bij God als een reden, waarom Hij ons niet zal verdelgen, dan moeten wij er bij onszelf op pleiten als een reden, waarom wij niet tegen Hem moeten zondigen: Wat zullen de Egyptenaars zeggen? Wij behoren er altijd tegen te waken dat de naam en de eer Gods om onzentwil gelasterd worden.
c. Hij pleit op Gods belofte aan de aartsvaders, dat Hij hun zaad zal vermenigvuldigen, en hun het land Kanaän tot een erfelijke bezitting zal geven, en deze belofte bevestigd heeft door een eed, een eed bij zichzelf, daar Hij bij niemand die groter was, kon zweren, vers 13. Gods beloften moeten ons tot pleitgrond dienen in ons gebed, want wat Hij beloofd heeft, is Hij machtig om te volbrengen, en de eer van Zijn waarheid en trouw is gemoeid met de volbrenging er van. "Heere, indien Israël uitgedelgd wordt, wat zal er dan worden van de belofte? Zal die door hun ongeloof teniet worden gedaan? Dat zij verre!" Aldus moeten wij alleen aan God onze bemoediging in het bidden ontlenen.
IV. God matigt genadig de strengheid van het vonnis, en het berouwde Hem over het kwaad, hetwelk Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen, vers 14, hoewel Hij besloot hen te straffen, wilde Hij hen toch niet verdoen. Zie hier:
1. De kracht van het gebed, God laat zich overwinnen door het nederige, gelovige aandringen der voorbidders.
2. De ontferming van God over arme zondaars en hoe bereid Hij is om hun vergeving te schenken. Aldus heeft Hij, behalve Zijn eed nog andere bewijzen gegeven, dat Hij geen lust heeft in de dood van zondaars, want niet slechts vergeeft Hij hun op hun berouw, maar Hij spaart hen op het gebed van anderen voor hen.