2 Koningen 21:19-26
Hier is een kort bericht van de korte en roemloze regering van Amon, de zoon van Manasse. Hetzij dat Manasse, in zijn blinde en domme ijver voor zijn afgoden, zijn andere zonen had opgeofferd, of dat zij, aan zijn afgoden gewijd zijnde, door het volk werden afgewezen,... zo was het, dat zijn opvolger een zoon was die pas werd geboren toen hij vijf en veertig jaren oud was. En van hem wordt ons gezegd:
1. Dat zijn regering zeer slecht was. Hij verliet de God van zijn vaderen, vers 22, was ongehoorzaam aan de geboden, die aan zijn vaderen waren gegeven, ontkende het verbond met zijn vaderen gemaakt, hij wandelde niet in de weg des Heeren, maar in al de weg, die zijn vader gewandeld had, vers 20, 21 22.
Hij trad in de voetstappen van zijn vaders afgoderij en heeft weer opgericht wat zijn vader in zijn laatste dagen had neergeworpen. Zij, die een slecht voorbeeld geven, kunnen wel zelf tot berouw en bekering komen, maar kunnen er volstrekt niet zeker van zijn dat degenen, die zij door hun voorbeeld tot zonde hebben gebracht, ook tot bekering zullen komen. Het is dikwijls geheel anders.
2. Dat zijn einde zeer tragisch was. Hij had tegen God gerebelleerd, en nu maakten zijn knechten een verbintenis tegen hem, en doodden hem, waarschijnlijk uit persoonlijke wrok, nadat hij slechts twee jaren geregeerd had, vers 23.
Zijn knechten, die hem behoorden te behoeden vermoordden hem, zijn huis, dat zijn kasteel zijn sterkte moest wezen, was de plaats van zijn terdoodbrenging. Hij had Gods huis ontheiligd door zijn afgoden, en nu liet God zijn huis verontreinigd worden door zijn bloed. Hoe onrechtvaardig zij nu ook waren, die het gedaan hebben, God was rechtvaardig in toe te laten dat het gedaan werd.
Hierop heeft het volk des lands door hun vertegenwoordigers twee dingen gedaan.
a. Zij deden gerechtigheid aan de verraders, die de koning gedood hadden, en brachten hen ter dood, want hoewel hij een slechte koning was, was hij toch hun koning, en het maakte deel uit van hun trouw om zijn dood te wreken. Aldus zuiverden zij zich van de hand gehad te hebben in de misdaad, en deden wat zij moesten doen om anderen van gelijke snode daden te weerhouden.
b. Zij deden een weldaad aan zichzelf door zijn zoon Josia koning te maken in zijn plaats, die de samenzweerders waarschijnlijk voorbij hadden willen gaan, maar het volk stond hem bij en vestigde hem op de troon, aangemoedigd misschien door de aanduidingen, die reeds vroeg in hem te bespeuren waren, van een goede gezindheid. Nu was er een zeer gelukkige verandering, na een van de slechtsten van al de koningen van Juda gehad te hebben, kregen zij nu een van de besten. "Nog eens", zegt God, "zal de proef met hen genomen worden door een reformatie, en zo zij slaagt, het is wel, maar zo niet, dan zal Ik hen daarna afhouwen." Amon werd begraven in dezelfde hof, waarin zijn vader begraven was, vers 26. Heeft zijn vader zichzelf onder die vernedering gebracht, het volk zal hem er onder brengen, daar het ook hem niet waardig acht om bij de koningen te worden begraven.