2 Koningen 21:10-18
Hier wordt het oordeel over Juda en Jeruzalem uitgesproken, en het is een zwaar oordeel. De profeten waren gezonden, in de eerste plaats om hun de kennis van God te leren, hen te herinneren aan hun plicht en er hen in te leiden. Indien zij hierin niet slaagden, dan moesten zij hen bestraffen om hun zonden en hun die ordelijk voor ogen stellen, opdat zij er berouw van zouden hebben en zich zouden bekeren, en terug zouden keren tot hun plicht.
Indien zij ook hierin niet slaagden, en de zondaars volhardden in hun boosheid, dan moesten zij hun de oordelen Gods aanzeggen, opdat de verschrikking daarvan diegenen zou opwekken tot bekering, die voor de verplichtingen, welke Zijn liefde hun oplegde, ongevoelig waren, of opdat de tenuitvoerbrenging er van ter bestemder tijd het bewijs zou zijn van de Goddelijke zending van de profeten, die haar voorzegd hadden. De profeten werden als rechters gezonden tot degenen, die hen niet wilden horen en ontvangen als leraren. Wij hebben hier:
I. Het noemen van de misdaad. De beschuldiging wordt voorgelezen, waarop het vonnis gegrond is, vers 11. Manasse heeft zelf goddeloos gedaan, hoewel hij betere dingen kende, heeft zelfs de Amorieten gerechtvaardigd, wier voorbeeld hij volgde, door hen nog te overtreffen in goddeloosheid, en het volk van God verdorven, aan wie hij geleerd had te zondigen, en dat hij gedwongen had te zondigen, en daarenboven-hoewel dit al slecht genoeg was-heeft hij Jeruzalem vervuld van onschuldig bloed, vers 16 zijn moorden vermenigvuldigd in elke hoek van de stad, en de mate van Jeruzalems bloedschulden tot aan de rand gevuld, Mattheus 23:32 , en dit alles tegen de kroon en de majesteit van de Koning van de koningen, de vrede zijns rijke, en de wetten, die tegen zulke gevallen verordineerd waren.
II. Een voorzegging van het oordeel, dat God dieswege over hen brengen zal. Zij hebben gedaan dat kwaad is, en daarom zal Ik een kwaad over hen brengen, vers 12, het zal komen, en het is niet verre meer. Het oordeel zal
1. Zeer vreeslijk wezen, het gerucht er van zal de mensen de oren doen klinken, vers 12, dat is: hun hart zal beven. Het zal een groot gerucht maken in de wereld en aanleiding geven tot velerlei bespiegelingen.
2. Evenals de zonden van Jeruzalem aan die van Samaria en van het huis van Achab gelijk waren, zo zal ook het oordeel aan hun oordeel gelijk zijn, vers 13.
Als God gericht stelt naar het richtsnoer, dan zal het het richtsnoer zijn van Samaria, aan Jeruzalem toemetende wat het deel en lot is geweest van Samaria, als Hij de gerechtigheid stelt naar het paslood, dan zal het het paslood zijn van het huis van Achab, hetzelfde verderf aftekenende, waaraan dat rampzalig geslacht gewijd was. Zie Jesaja 28:17.
Zij, die anderen gelijken en navolgen in hun zonden, moeten verwachten dat het hun gaan zal zoals het die gegaan is.
3. Dat het een volkomen verwoesting zal zijn. Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist. Dit geeft te kennen: a. Dat alles in wanorde zal gebracht worden hun staat zal verwoest, onderstboven gekeerd worden, en zijn grondslagen zullen uit hun voegen worden gerukt.
b. Dat de stad ontledigd zal worden van haar inwoners, die er het vuil van geweest zijn, zoals een schotel geledigd is als men hem afwist, zij zullen allen gevankelijk weggevoerd worden, het land zal aan zijn sabbaten een welgevallen hebben, en weggelegd worden als een schotel, die afgewist is. Zie de gelijkenis van de pot in Ezechiël 24:1-14, die hieraan niet ongelijk is.
c. Dat dit echter ter uitzuivering van Jeruzalem zal zijn, niet tot algehele en volstrekte verwoesting ervan. De schotel zal niet nedergeworpen, in stukken gebroken of gesmolten worden, maar slechts afgewist. Dit zal de vrucht zijn: eerst het wegnemen van de zondaars, en dan van de zonde.
4. Dat zij verwoest zullen worden, omdat zij verlaten zijn, vers 14. Ik zal het overblijfsel mijns erfdeels verlaten. Rechtvaardig worden zij, die God verlaten, door Hem verlaten, nooit verlaat Hij echter de mensen voordat zij Hem verlaten hebben, maar als God een volk verlaat, dan is hun schaduw, dat is hun bescherming, van hen geweken en dan worden zij een prooi, een gemakkelijke prooi, van al hun vijanden. Van de zonde wordt hier gesproken als van de alfa en de omega van hun rampen.
a. Oude schuld kwam in gedachtenis als hetgeen, dat begon de maat te vullen, vers 15. Zij hebben Mij tot toorn verwekt van hun ontvangenis en geboorte als een volk af, van die dag dat hun vaderen van Egypte uitgegaan zijn. Met de mannen van dit geslacht, wat in de voetstappen treedt van hun vaderen, wordt rechtvaardig afgerekend voor de zonden van hun vaderen.
b. Het was de schuld van het bloed die de maat vol maakte, vers 16. Niets roept luider en brengt zekerder wraak dan dat.
Dit is alles wat wij hier van Manasse hebben, hij staat daar schuldig verklaard en veroordeeld, maar wij hopen in het boek van de Kronieken te horen van zijn berouw en zijn aanneming door God. Intussen moeten wij aan deze plaats ons vergenoegen met slechts een wenk te hebben van zijn bekering (want daarvoor willen wij het gaarne houden), dat hij, waarschijnlijk volgens zijn eigen bevel, begraven werd in de hof van zijn huis, vers 18 want waarlijk verootmoedigd zijnde om zijn zonden, achtte hij zich niet meer waardig een zoon genoemd te worden, een zoon van David, en daarom zelfs niet waardig dat zijn dood lichaam in de graven van zijn vaderen begraven zou worden. Ware boetvaardiger nemen schande voor zichzelf, geen eer, en de naam en de achting van een onschuldige hebbende verloren zal nu de naam van een boetvaardige het begerenswaardigste voor hem zijn, en beter is het, en meer eervol, voor een zondaar om boetvaardig te sterven en in een hof begraven te worden, dan onboetvaardig te sterven en in de grafstede van de koningen te worden begraven.