2 Koningen 21:1-9
Hoe heerlijk waren onze overdenkingen over de laatste regering! Hoeveel lieflijke gezichtspunten hadden wij van Zion in haar heerlijkheid, dat is: in haar reinheid en de overwinning van de koning in zijn schoonheid! Want wat gezegd wordt in Jesaja 33:17 heeft betrekking op Hizkia, en naar hetgeen daar volgt in vers 20 was Jeruzalem "een geruste woonplaats, omdat zij een stad van de gerechtigheid was," Jesaja 1:26.
Maar nu hebben wij een treurig werk voor ons, moeten wij over onaangename grond reizen, en kunnen niet anders dan zwaarlijk voortvaren. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! De schoonheid van Jeruzalem is bevlekt, weg is al haar heerlijkheid, al haar blijdschap. Deze verzen geven een bericht van deze regering, dat haar doet kennen als in alle opzichten het tegenovergestelde van de laatste en, in zekeren zin, het verderf er van.
I. Manasse begon jong. Hij was pas twaalf jaren oud toen hij koning werd, vers 1, geboren toen zijn vader omstreeks twee en veertig jaren oud was, drie jaren na zijn ziekte. Indien hij tevoren zonen had, dan waren zij of dood, of terzijde gezet als onbekwaam. Zij wisten nu nog niets kwaads van hem, en zij hoopten dat hij zou blijken goed te zijn, maar hij bleek zeer slecht te wezen, en misschien heeft hiertoe bijgedragen dat hij zo jong reeds aan de regering kwam, wat hem echter volstrekt niet verontschuldigt, want zijn kleinzoon Josia was nog jonger toen hij koning werd, en heeft toch goed geregeerd. Maar nog zo jong zijnde:
1. Werd hij door deze eer opgeblazen en hoogmoedig en, denkende dat hij, omdat hij zeer groot was, ook zeer wijs was, liet hij er zich op voorstaan om alles wat zijn vader gedaan had ongedaan te maken. Het is voor nieuwelingen iets geheel gewoons om zich te verheffen door hoogmoed, en aldus in het oordeel des duivels te vallen.
2. Hij liet zich gemakkelijk beïnvloeden en terzijde afwenden door verleiders. Zij, die vijandig waren aan Hizkia's reformatie en genegenheid hadden behouden voor de oude afgoderijen vleiden hem, hadden dus zijn oor, en gebruikten zijn macht naar hun welgevallen. Velen zijn ten verderve gegaan, doordat zij al te vroeg tot eer en aanzien zijn gekomen.
II. Hij regeerde lang, het langst van de koningen van Juda, vijf en vijftig jaren. Dit was de enige langdurige regering, die slecht was, Joram heeft slechts acht jaren en Achaz zestien jaren geregeerd. Wat nu die van Manasse betreft, wij hopen dat in het begin de zaken gingen zoals onder zijn vader, en dat in de laatste tijd van zijn regering, na zijn bekering, de Godsdienst weer de overhand kreeg, en ongetwijfeld had God, toen de zaken op het ergst waren, toch nog Zijn overblijfsel, die nog aan hun oprechtheid vasthielden. Hoewel hij lang regeerde, heeft hij toch enige tijd als gevangene in Babel doorgebracht, die wel als een vermindering van die jaren beschouwd kan worden, maar hij wordt er toch bij gerekend, omdat toen zijn bekering is begonnen.
III. Hij regeerde zeer slecht.
1. Hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren, en daar hij goed opgevoed was, moest hij wel weten dat het kwaad was, vers 2. Hij deed zeer veel kwaad in de ogen des Heeren als met opzet, om Hem tot toorn te verwekken, vers 6.
Hij deed naar de gruwelen van de heidenen vers 2, en zoals Achab, vers 3, zich niet latende waarschuwen door het verderf, dat over de volkeren van Kanaän en over het huis van Achab gekomen is om hun afgoderij, ja hij deed erger dan de heidenen, die de Heere voor het aangezicht van de kinderen Israëls verdelgd had, vers 9. Als het heilige zaad ontaardt, dan zijn zij gewoonlijk erger dan de ergste onheiligen.
Meer in het bijzonder:
A. Hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader verdorven had, vers 3..
Aldus heeft hij de nagedachtenis van zijn waardige vader beledigd, hoewel hij wist hoezeer hij door God bevoorrecht en door de mensen geëerd was. Waarschijnlijk was hij het eens met Rabsake, Hoofdstuk 18:22, dat het een slechte daad was van Hizkia om ze weg te nemen, en wendde hij voor de eer van God en de stichting des volks op het oog te hebben met ze te herbouwen. Daar begon hij mede, maar ging voort met hetgeen veel erger was, want:
B. Hij richtte afgodsbeelden op voor Baäl "`asheret", dat wij vertalen door "bos", en "al het heir des hemels, de zon en de maan, de andere planeten en de sterrenbeelden", deze aanbad en diende hij, vers 3,, gaf hun namen aan de beelden die hij maakte, en dan bewees hij er hulde aan, en bad hen om hulp. Voor deze bouwde hij altaren, vers 5, en ongetwijfeld heeft hij op deze altaren offeranden geofferd.
C. Hij deed zijn zoon door het vuur gaan, waarmee hij hem wijdde aan Moloch, in minachting van het zegel van de besnijdenis, waarmee hij aan God gewijd was.
D. Hij maakte de duivel tot zijn orakel, en in minachting beide van urim en de profetie pleegde hij guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht, en, evenals Saul, raadpleegde hij waarzeggers, die voorgaven door de sterren of de wolken, door geluksdagen of ongeluksdagen goede of kwade voortekenen, de vlucht van de vogels of de ingewanden van dieren de toekomst te voorspellen. Dezulken waren zeer in aanzien bij hem, het waren zijn vertrouwde vrienden. Hun kunstenarijen streelden zijn verbeeldingen wonnen zijn vertrouwen, en zijn raadsbesluiten werden door hen geleid.
E. Later bevinden wij, vers 16, dat hij veel onschuldig bloed vergoot ter bevrediging van zijn hartstocht en wraakzucht. Sommigen werden misschien in het geheim vermoord, anderen onder schijn van recht en wet gedood. Waarschijnlijk was veel van het bloed, dat hij vergoot, het bloed van hen, die zijn afgoderij tegenstonden, er tegen getuigden, en de knieen niet voor Baäl wilden buigen.
Het bloed van de profeten wordt zeer bijzonder Jeruzalem ten laste gelegd, en waarschijnlijk heeft hij velen van hen ter dood gebracht. Volgens de overlevering van de Joden heeft hij Jesaja in stukken doen zagen, en velen denken dat de apostel hiernaar verwijst, Hebreeën 11:37,, waar hij spreekt van de zodanigen, die aldus gemarteld werden. Drie dingen worden hier vermeld als verzwaringen van Manasse's afgoderij.
a. Dat hij beelden en altaren stelde in het huls des Heeren, vers 4, in de twee voorhoven van de tempel, vers 5, in het huis waarvan God tot Salomo had gezegd: hier zal ik Mijn naam zetten, vers 7.
Aldus trotseerde hij God in Zijn aangezicht, heeft hij Hem onbeschaamd beledigd door Zijn mededingers als onder zijn oog te stellen, als iemand, die noch bevreesd was voor Gods toorn, noch zich schaamde over zijn dwaasheid en slechtheid. Aldus ontwijdde hij wat Gode geheiligd was, heeft hij eigenlijk God uit Zijn eigen huis gezet, en de rebellen in het bezit ervan gesteld.
Zo hebben de getrouwe aanbidders van God, als zij naar de plaats kwamen, die Hij had verordineerd tot de vervulling van hun plicht jegens Hem, tot hun grote smart en verschrikking andere goden gereed gevonden om hun offeranden te ontvangen. God had gezegd dat Hij hier Zijns naams gedachtenis wilde stichten, Zijn naam zou zetten tot in eeuwigheid, en hier werd hij dan ook bewaard terwijl de afgodische altaren op een afstand gehouden werden, maar Manasse heeft, door ze in Gods huis te brengen, gedaan wat hij kon om de eigendom te veranderen en de naam van de God Israëls niet meer in gedachtenis te doen zijn.
b. Dat hij hierdoor een groten smaad aandeed aan het woord van God en aan Zijn verbond met Israël. Let op de gunst, die Hij dit volk betoond had door Zijn naam onder hen te zetten-de goedheid, die Hij hun wilde bewijzen, door hen niet uit dit goede land te bewegen, en het redelijke van Zijn verwachtingen van hen, alleenlijk zo zij waarnemen te doen naar alles wat Ik hun geboden heb, vers 7, 8.
In deze goede verhouding stond Israël tot God, en zij hadden zo goed een vooruitzicht om gelukkig te zijn als enig volk kon hebben, maar zij hoorden niet, vers 9. Zij wilden niet dicht bij God gehouden worden, noch door Zijn geboden noch door Zijn beloften, beide hebben zij achter hun rug geworpen.
c. Dat hij hierdoor het volk van God verleid heeft, hen heeft verdorven, hen tot afgoderij heeft gebracht, vers 9 hij heeft Juda doen zondigen, vers 11, zoals Jerobeam Israël heeft doen zondigen.
Zijn voorbeeld was genoeg om het gros van het onnadenkende volk te verderven, die doen zouden wat hun koning deed, of het recht of onrecht was. Allen, die naar bevordering stonden, wilden doen zoals het hof deed, en anderen dachten dat het het veiligst was, om zich naar de koning te voegen uit vrees van hem tot vijand te maken.
Zo werd op deze en die wijze de heilige stad tot een hoer gemaakt, en het was Manasse, die haar aldus maakte. Diegenen zullen zeer veel te verantwoorden hebben, die niet alleen zelf slecht zijn, maar helpen om anderen slecht te maken.