19. En, om de bepalingen omtrent de inwijding van het altaar nader voor te stellen, gij zult aan de Levietische priesteren, welke uit het zaad van Zadok 1) zijn, die tot mij naderen (spreekt de Heere HEERE), om Mij te dienen. volgens het in
Hoofdstuk 40:46 gezegde, alleen bij den nieuwen tempel enen eigenlijken priesterdienst hebben te vervullen, (
Hoofdstuk 44:15) geven enen var, een jong rund, ten zondoffer 1), dat zij het slachten.
1) Het geslacht van Zadok was in de dagen van Salomo gekomen in de plaats van het geslacht van Abjathar. Zadok betekent rechtvaardige. Dit betekent hier dus, dat zij die den nieuwen tempel zouden bedienen, de gelovigen, zouden zijn van het geslacht van den Rechtvaardige, van Hem, die reeds was aangekondigd als de HEERE, onze Gerechtigheid.
2) God geeft het bevel der inwijding van het nieuwe altaar aan Ezechiël, even als Hij in Exodus 29:1, en 36, de inwijding van Aäron en van het altaar aan Mozes opdroeg. Wij hebben echter hieruit niet te besluiten, dat het werkelijk zou bedoeld zijn, dat te zijner tijd Ezechiël en geen ander, wanneer het nieuwe heiligdom der toekomst zou worden opgericht, zijn altaar zou wijden; het behoort integendeel tot de taktiek der profetie, en het komt dikwijls (bijv. in Zacharia 11:4) voor, dat Gods dingen, die Hij later door andere werktuigen wil doen, den aangesproken Profeet beveelt te doen, opdat zulk ene toekomstige daad Gods aanschouwelijk worde in het tegenwoordige.