24. En gij zult ze offeren voor het aangezicht des HEEREN, en de priesteren zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren ten brandoffer den HEERE.
Bij het Mozaïsche altaar werd ook na het zoenoffer een brandoffer gebracht, maar alleen een ram, want de daar geofferde tweede ram is geen brandoffer, maar behoort bij de wijding van Aäron en zijne zonen, en deze heeft hier gene plaats. Hier daarentegen moet behalve den ram nog een var, dus een bijzonder aanzienlijk, dubbel offer worden gebracht. Even als alzo bij het Mozaïsche altaar het aanzienlijke zoenoffer van enen var gelijkmatig door alle dagen der wijding plaats heeft, en daarnevens het brandoffer van enen ram gering voorkomt, heeft bij ons altaar alleen de eerste dag het aanzienlijk zoenoffer van een var, op de tweede en volgende dagen komt het zoenoffer voor verminderd tot een geitebok; maar daarvoor komt dadelijk in `t begin na het zoenoffer een brandoffer, hetwelk dat bij Mozes in sterkte verre overtreft. Het werk door ontzondiging en verzoening heeft namelijk in werkelijkheid de eerste dag met zijn zoenoffer van enen var alleen verricht; de mindere zoenoffers der volgende dagen dienen alleen om de kracht van het zoenoffer van den eersten dag tot de volgende dagen over te brengen, het zijn slechts herinneringen, vernieuwingen van het grote zoenoffer op dien eersten dag.
De eigenlijke betekenis der volgende dagen is niet, het door den eersten dag gedane verzoeningswerk eerst nog te doen of ook maar voort te zetten of te herhalen, maar zich het verzoeningswerk van dien eersten dag toe te eigenen en op grond daarvan Gods welgevallen te zoeken. Die ene eerste dag, welks werk een verzoeningswerk zonder gelijke is; herinnert ons daaraan, dat ook in Zacharia 3:9 van enen dag wordt gesproken, op welken God de schuld van dit land zal wegnemen. Met dien enen dag van ontzondigen is gelet op het verzoeningswerk, hetwelk onze Heere en Heiland in de dagen van Zijn lijden en sterven volbracht heeft, hetwelk, nadat het eenmaal ten goede der gemeente gekomen is. alleen gedurig weer toegeëigend behoeft te worden.
Over de verhoogde overgave der nieuwe gemeente aan den Heere en Zijn werk, welke door brandoffers wordt voorgesteld (Leviticus 1:2, 9) zie de voorzegging in Jesaja 66:19 en de aanwijzingen in Openbaring 4:4, 19:7, Het zout daarbij heeft de betekenis der krachtige waarheid dier overgave, die onreinheid en huichelachtige werkheiligheid verre houdt, ook die der wijsheid en des geestelijken oordeels; want gelijk het mij geen nuttigheid zou geven, al liet ik mijn lichaam verbranden, zo ik de liefde niet had, zo is God ook met het offeren van mij zelven niet gediend, dat onbedacht en zonder de ware verstandigheid der kinderen Gods plaats heeft. Bovendien, wanneer wij bij de daad der inwijding zelf blijven staan, komt het zout ook als onderpand daarvan in aanmerking, dat het nu met Israël opgerichte verbond in waarheid datgene zal zijn, wat reeds het Oude Verbond bestemd was te wezen, doch om de ontrouw van het volk niet had kunnen zijn, maar moest worden gesuspendeerd, namelijk een zoutverbond (Numeri 18:19), een verbond van eeuwigen duur, dat niet weer van kracht beroofd kon worden of buiten gesteld (Jesaja 54:10. Jeremia 31-40. Ezechiel 37:25) .