Jeremia 31:1-9
Hier verzekert God Zijn volk:
I. Dat Hij het weer in een verbondsbetrekking tot Hem wil brengen, waaruit zij gevallen waren. tegelijker tijd, wanneer Gods toorn tegen de goddelozen ontbrandt, Hoofdstuk 30:24, wordt Zijn eigen volk door Hem erkend als de kinderen van Zijn liefde: Ik zal tonen een God te zijn (dit is Ik zal tonen, God te zijn), allen geslachte Israëls, niet alleen voor de twee stammen, maar alle stammen, niet van het huis Aärons of Levi's alleen, maar alle huisgezinnen, niet alleen voor het land in het algemeen, maar iedere familie in het bijzonder, met haar belangen zal de vruchten van deze bijzondere betrekking tot God plukken. Zie, de huisgezinnen van de godvrezenden mogen ook voor hun familie-aangelegenheden op Gods beloften pleiten en op Hem hopen als hun God. Zo wij en onze huizen de Heere dienen zullen wij door Hem beschermd en gezegend worden, Spreuken 3:33.
II. Dat Hij voor hen wil doen, ze uit Babel opvoerende, wat Hij voor hun vaderen heeft gedaan, toen Hij ze uit Egypte bevrijdde, naar Zijn voornemen, toen Hij ze het eerst tot Zijn volk aannam.
1. Hij herinnert hen wat Hij voor hun vaderen had gedaan, toen Hij ze uit Egypte uitleidde, vers 2. Die waren toen, gelijk deze nu, een volk, overgebleven van het zwaard, het zwaard van Farao, waarmee deze alle mannelijke kinderen, zodra zij geboren waren, doodde (een bloedig zwaard inderdaad, waaraan Israël ternauwernood ontkomen is), en waarmee hij ze zocht af te snijden, toen hij ze aan de Rode Zee vervolgde. Zij kwamen toen in de woestijn waar zij verloren en vergeten schenen, gelijk deze nu in een vreemd land, en toch hadden ze genade bij God gevonden, waren door Hem erkend en geëerd, en gezegend met wonderbare bewijzen van Zijn bijzondere gunst, toen Hij heenging om hen tot rust te brengen in Kanaän. Zie, wanneer wij vernederd worden, en onoverkomelijke bezwaren stellen zich in de weg van onze bevrijding, dan is het goed te bedenken dat het van de aloude kerk evenzo gegaan is, en dat ze desondanks gerezen is en in Kanaän gekomen door al de bezwaren van de woestijnreis heen. En God is nog Dezelfde.
2. Zij herinneren Hem aan al wat Hij voor hun vaderen had gedaan, en wijzen er op, dat zij zulke tekenen niet zien, gelijk Gideon deed: Waar zijn al zijn wonderen, die onze vaderen ons verteld hebben? Het is waar, de Heere was hun verschenen van verre tijden, vers 3, in Egypte, in de woestijn, was hun en voor hen verschenen, had hun Zijn heerlijkheid getoond. De jaren van de oude tijden waren heerlijke jaren geweest maar nu was het anders. Wat baat het ons of Hij vroeger verschenen is, als Hij nu een God is, die Zich voor ons verbergt? Jesaja 45:15. Zie, het is moeilijk, onder tegenwoordig leed zich met vroegeren zegen te troosten.
3. Daarop antwoordt Hij met de verzekering van Zijn onveranderde liefde. Ja, "Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid, zelfs met een eeuwige liefde, een liefde, die nimmer falen zal, al moge de troost dier liefde voor een tijd ophouden. Het is een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid, die Ik uw vaderen zowel als u heb bewezen". Ik heb u met goedertierenheid tot Mij getrokken als uw God, van al de afgoden af, waarhenen gij u hadt afgewend. Zie, de troost voor degenen die door genade Gods liefde hebben leren kennen, bestaat daarin, dat het een "eeuwige liefde is (van eeuwig in de goddelijke raadsbesluiten, tot eeuwig in de voortduur en de gevolgen ervan), en dat niets hen van die liefde kan scheiden". Degene, die God liefheeft, brengt Hij in een verbond en gemeenschap met Hem, door de werking Zijns Geestes in hun ziel, Hij trekt ze met goedertierenheid, met de koorden eens mensen, met koorden van de liefde, waaraan niets weerstand kan bieden.
III. Dat Hij hen weer tot een volk zal maken en ze in hun eigen land zal brengen, vers 4,5. Is Gods kerk Zijn huis, Zijn tempel? Ligt die nu verwoest? Dat is zo, maar Ik zal u weer bouwen en gij zult gebouwd worden. Zijn de delen van dit gebouw verstrooid? Zij zullen weer saamgebracht en saamgevoegd worden, ieder deel op zijn eigen plaats. Als God ze bouwen zal, dan zullen ze gebouwd worden en wat kan die bouw dan verhinderen? Is Israël een schone jonkvrouw? Is zij nu van haar sieraden beroofd en tot een toestand van moedeloosheid gebracht? Zeker maar gij zult weer versierd zijn met uw trommelen, uw vroeger sieraad, waarmee gij vrolijk geweest zijt. Zij zullen de harpen van de wilgen nemen, waaraan ze gehangen waren, ze stemmen en er weer muziek op maken. Zij zullen versierd worden met hun trommelen, want hun muziek en vreugde zal dan alle reden hebben. Het zal de welaangename tijd zijn, God zal ze in Zijn voorzienigheid ertoe roepen, de trommelen zullen hun sieraad zijn, terwijl die muziekinstrumenten, ten tijde van algemene ellende, als God tot treuren roept, niet te pas komen. Ook kan het slaan op het gebruik van de trommelen bij hun plechtige godsdienstige feesten, wanneer "de dochteren Zions uitgingen in de rei van de spelenden," Richteren 21:19, 20. Onze vrolijkheid is dan inderdaad een versiersel voor ons, wanneer wij God dienen en Hem ermede verheerlijken. Wordt de vreugde van de stad onderhouden door de voortbrengselen des velde? Inderdaad, en daarom worden die beloofd, vers 5. Gij zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria, dat de hoofdstad van het rijk dertien stammen was geweest, in tegenstelling met Juda. Maar nu zullen ze verenigd worden, Exodus 37:22, en daar zal zo'n volmaakte vrede en veiligheid zijn, dat men zich geheel en al aan de landbouw zal kunnen wijden. "De planters zullen planten, geen vijandelijker inval vrezende, om de vrucht huns arbeids te verstoren en te genieten". Die zullen ze ongestoord genieten als iets gewoons (Engelse vertaling), geen verboden vrucht, niet verboden door de wet Gods (gelijk zij die mochten eten voor het vijfde jaar, Leviticus 19:23-25), niet verboden door de eigenaars omdat er zo'n overvloed zal wezen, dat er voor allen meer dan genoeg is.
IV. Dat zij vrijheid en gelegenheid zouden hebben om God te dienen naar zijn eigen inzettingen, men zal hen daartoe uitnodigen, en van binnen zal er lust toe zijn, vers 6. Daar zal een dag zijn, en een heerlijke dag zal het wezen, waarin de hoeders op Efraïms gebergte, die daar zijn geplaatst om wacht te houden en de nadering van een vijand te melden, bevindende, dat alles rustig is en zelfs de schijn van gevaar ontbreekt, zullen begeren van hun post afgelost te worden, opdat zij mogen opgaan naar Zion, om God voor de algemene vrede te prijzen. Of: de wachters zullen de wijngaarden verzorgen (waarvan vers 5 spreekt), zij zullen zichzelf en anderen opwekken met al hun buren, om op te gaan en de plechtigheden te Jeruzalem te vieren. Hieruit blijkt, dat de dienst van God op Zion weer begonnen is, en dat men algemeen daarheen opgaat, met evenveel geestdrift en wederzijdse aanmoediging als in Davids tijd, Psalm 122:1. Maar wat hier het merkwaardigste is, "de hoeders op Efraïms gebergte zijn de voorsten om de dienst van God te Jeruzalem te vernieuwen, terwijl tevoren de wachter van Efraïm een haat was in het huis zijns Gods", Hosea 9:8, en, in plaats van het volk aan te sporen naar Zion te gaan, dengenen, die hun aangezicht derwaarts gericht hadden, strikken spanden, Hosea 5:1. Zie, God kan hen, die vijanden waren van Hem en Zijn dienst, tot voorgangers en leiders in Zijn dienst maken. Deze belofte zou haar volle vervulling verlangen in de dagen van de Messias, wanneer het Evangelie zou gepredikt worden aan al deze landen, en de kerk van Christus, waarvan Zion een type was, daartoe allen zou uitnodigen. V. Dat God de eer en Zijn kerk de heerlijke troost van deze gezegende verandering zal hebben, vers 7 :Roept luide over Jacob met vreugde, dat is: laat al zijn vrienden en gunstgenoten zich met hem verblijden, Deuteronomium 32:43. "Weest vrolijk, gij heidenen met zijn volk," Romeinen 15:10. Het herstel van Jacob zal door alle buren opgemerkt worden, het zal hun allen een oorzaak van vreugde zijn, zij zullen met Jacob instemmen, als hij zich verheugt, hem Beren en hoogachten. "Zelfs de overste van de volken, die allen te boven gaat, zal het zich een ere rekenen, Jacob met zijn herstel geluk te wensen, en zal hem vereren met een gezantschap om die boodschap over te brengen". "Doet het horen en lofzingt." Door deze heugelijke gebeurtenis te vermelden prijst gij de God Israëls en het Israël Gods, looft gij beide. De verkondigers van het Evangelie moeten het prijzen, en daarom wordt het vaak in de Psalmen vermeld als verbonden met lof en prijs, Psalm 67:3, 4, 96:2, 3. Waarmee wij anderen ook mee troosten of door hen getroost worden, daarvan moeten wij gewis Gode de lof geven. "Looft gij en zegt: O Heere, behoud Uw volk, dat is: volmaak zijn zaligheid: ga voort het overblijfsel van Israël te verlossen, dat nog in slavernij zucht", Psalm. 126:3,4. Zie, wanneer wij God prijzen voor wat Hij ons gedaan heeft, moeten wij op Hem hopen voor toekomstige gunstbewijzen, die Zijn kerk behoeft en verwacht. In het gebed daarom prijzen wij Hem en geven Hem heerlijkheid, en zo beschouwt Hij het.
Vl. Dat zij, om zich weer gelukkiglijk in hun eigen land te kunnen vestigen, een blijde uittocht uit het land hunner ballingschap en een voorspoedige reis naar huis zullen hebben, vers 8, 9. Dit begin van goedertierenheid zal hun een onderpand zijn voor alle andere hier beloofde zegeningen.
1. Ofschoon zij naar ver verwijderde plaatsen verstrooid zijn, zullen zij samengevoerd worden "van het noorden en van de zijden van de aarde, waar zij ook mogen zijn. God zal ze uitvinden."
2. Al zijn velen onder hen ongeschikt voor de reis, toch zal hun dat geen hinderpaal zijn: "blinden en lammen zullen komen, zo gewillig en verlangend zullen zij zijn om de tocht te ondernemen, dat hun blindheid en lamheid hun geen beletsel zal zijn om de plaats te verlaten, waar zij zo lang gewoond hebben". Hun reismakkers zullen bereid zijn, hen te helpen, zullen ogen voor de blinden en voeten voor de lammen wezen, gelijk goede Christenen elkaar op hun reis naar de hemel moeten steunen, Job 29:15. Maar, bovenal, God zal met hen zijn, niemand behoeft zich met blindheid te verontschuldigen, die God tot leidsman heeft, noch met lamheid, wiens sterkte de Heere is. "Zwangeren zijn niet in staat, zo'n reis te ondernemen, veel min barenden, en toch, als het er op aankomt, naar Zion terug te keren, zal noch de ene noch de andere bezwaar maken". Zie, wanneer God roept, behoeven wij geen onbekwaamheid voor te wenden, Hij, die ons roept, zal ons helpen en sterken.
3. Ofschoon zij verminderd en weinigen in getal schijnen, toch zullen zij, als allen samengestroomd zijn, "één grote gemeente vormen, zo zal het ook zijn met het geestelijk Israël, wanneer dat vergaderd wordt, al schijnt het slechts een kleine kudde te zijn".
4. Hoewel hun terugkeer een oorzaak van grote vreugde voor hen zal zijn, zullen gebeden en tranen hen vergezellen, vers 9 : Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik ze voeren, geween over hun zonden, en smekingen om vergeving, want de goedertierenheid Gods zal ze tot bekering leiden, en zij zullen bitterder en oprechten om hun zonden schreien, nu zij uit hun ballingschap verlost werden, dan zij ooit gedaan hadden, toen ze er onder zuchtten. Wenen en bidden gaat heel wel samen, tranen geven levendigheid aan het gebed en zijn tekenen van innigheid, en gebeden helpen de tranen afwissen. Ik zal ze met gunstbewijzen leiden (zo luidt de Engelse kanttekening), op hun reis zullen zij met Gods gunst omringd worden als uitvloeisels van Zijn goedheid.
5. Al zullen zij een gevaarvolle reis doen, toch zijn zij veilig onder goddelijk geleide. Is het land, waardoor zij trekken, droog en dorstig? "Ik zal ze leiden aan de waterbeken, niet de wateren van een rivier die in de zomer uitdroogt. Is er een woestijn, waarin geen pad of weg is te vinden? Ik zal ze leiden in een rechten weg, zodat ze niet verdwalen. Is het een ruw, rotsig land? Zij zullen zich niet stoten". Zie, wanneer God Zijn volk duidelijk roept, zal Hij hun of een gebaande weg aanwijzen of er een voor hen maken, en wanneer wij de Voorzienigheid volgen, kunnen wij zeker zijn, dat de Voorzienigheid ons geen ogenblik in de steek zal laten. Eindelijk wordt hier de reden genoemd waarom God al de zorg voor Zijn volk zal dragen "Want Ik ben Israël tot een Vader, een Vader die hen genereerde, en hen daarom onderhouden, en hun de zorg en het medelijden eens Vaders tonen zal", Psalm 103:13. "En Efraïm, die is Mijn eerstgeborene. Efraïm, dat van God afgezworven, niet meer waard was een zoon genaamd te worden, zal zelfs de eerstgeborene zijn, bijzonder dierbaar en erfgenaam van een dubbel deel van de zegeningen". Dezelfde reden was gegeven voor hun uittocht uit Egypte als nu voor hun verlossing uit Babylon: zij zijn vrijgeborenen en mogen daarom geen slaven zijn, zij zijn geboren voor God en mogen dus geen dienstknechten van mensen wezen, Exodus 4:22, 23. "Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Laat Mijn en zoon trekken, dat hij Mij diene". Als wij God onze Vader mogen noemen en ons voegen bij "de gemeente van de eerstgeborenen," dan kunnen wij gewis zijn, dat ons niets ontbreken zal van hetgeen waarlijk goed voor ons is.