25. En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijnen knecht Jakob gegeven heb, waarin uwe vaders gewoond hebben; ja daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kinds kinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hunlieder vorst zijn tot in eeuwigheid. 26. En Ik zal aan a) verbond des vredes met hen maken, het zal aan eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze in goeden welstand (
Hoofdstuk 34:25) inzetten, en zal ze vermenigvuldigen(
Hoofdstuk 36:10 v. 37), en ik zal Mijn b) heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid (
Hoofdstuk 40:1).
a) Psalm 89:4. b) 2 Corinthiërs 6:16.
Door de scheuring van Israël was verder de eenheid des heiligdoms verstoord, en meer dan door al het andere had het volk zijn afval van God bevestigd. De nieuwe samenbrenging des volks geschiedt op nieuw om een gemeenschappelijk middelpunt, ene nieuwe openbaring in het midden van Israël. Het zou hier verkeerd zijn te vragen, of de Profeet een uitwendig of een zuiver geestelijk heiligdom bedoelde. Hij spreekt zich noch voor het ene noch voor het andere bepaald uit. De begrippen uiterlijk en innerlijk staan in het Oude Testament geenszins in die sterke, abstracte tegenstelling tegenover elkaar, dat men ook hier bepaald voor een zou kunnen beslissen, integendeel vloeien beide op `t nauwst in elkaar, en doordringen elkaar wederkerig. Ene geheel andere vraag is het daarentegen, hoe de Profeet zich de verhouding van dit heiligdom tot het Oud-Israëlietische denkt. Het antwoord is: als nieuw, pas gesticht, veel verhevener, waarin het wezen volkomen met de openbaring, met den vorm overeenkomt. Dit blijkt duidelijk uit Vers 26, daar a) het heiligdom op ene nieuwe verbondsbetrekking van Jehova met Israël moet rusten, het de heerlijkste vrucht daarvan is, en hoe inniger de betrekking is, waarin God in dit verbond tot het volk treedt, des te rijker moet ook de volheid van genadegiften zijn, welke alsdan van de plaats Zijner openbaring uitstroomt; b) de schare dergenen, die zich om dit heiligdom vergaderen, is groot; zij is ene door God zelven vergrote schare, die in dat nieuwe verbond staat en zich vast daarvan houdt: c) eindelijk onderscheidt zich het nieuwe heiligdom werkelijk van het oude door zijn duur, want terwijl het oude vergankelijk was, is het nieuwe onvergankelijk.
Dat God Zijn Tabernakel en naderhand Zijn tempel onder Juda had, was een teken en onderpand van Zijne tegenwoordigheid onder hen, en bescherming over hen, zodat deze uitdrukking kan betekenen Gods bijzonderen gunst en bescherming. En dewijl de Tabernakel en Tempel voorbeelden geweest zijn van de Christelijke Kerk, en van elk gelovige in het bijzonder, zo wordt daardoor ook aangeduid, dat God Zijn kerk volgens het Nieuwe Verbond, dat is de Evangelie Kerk onder het Joodse volk zou oprichten bij de komst van den Messias, en met Zijn Geest en genade in dezelve, en in elk lid zou wonen, wanneer het Woord zou vlees geworden zijn en onder ons tabernakelen. (ENGELSE GODGELEERDEN).