50. a)Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt waarmee zult u dat smakelijk maken? b) Heb zout in uzelf en houd vrede onder elkaar.
a)Mattheus 5:13. Lukas 14:34. b)Romeinen 12:18. Hebreeën 12:14.
Onder het Oude Testament werd ieder offer gezouten en van ieder offer werd iets verbrand met vuur. Dat haalt Christus hier aan en Hij verklaart het geestelijk, namelijk de oude mens door het Evangelie als door een zout wordt gekruisigd en gezouten, want ons lichaam is het ware offer. (Romeinen 12.
In Vers 48 is duidelijk de waarschuwing ten einde die in Vers 45 begon; dus kan geen verklaring van Vers 49 v. juist zijn, die niet in enig opzicht met die waarschuwing samenhangt, in plaats van met de zin, die aan de gehele voorstelling Vers 45-48 ten grondslag ligt, namelijk dat de discipel van Jezus bereid moet zijn in een conflict van zijn natuurlijk belang met zijn geloof, ook het dierbaarste over te geven om de schat van het geloof te behouden. Daarom verwacht men een zin met "want" die zegt dat zulke aanvechtingen noodzakelijk moeten komen en zo'n zin komt hier dan ook werkelijk voor, wanneer men maar geen verwarring in de rede daardoor brengt, dat men het "met vuur" in de eerste helft van Vers 49 als een onderscheidend teken van het eerste "gezouten worden" opvat tegenover het tweede, door het "met zout" nader bepaalde d. i. als een tweede middel om te kruiden naast het zout, maar de rede in dat opzicht juist verstaat, dat hier over een zouten, voor het vuur verteld wordt. Het offer is voor het vuur bestemd: door het louterende vuur komt het als welgevallige gave tot God en wordt het tot een liefelijke reuk. Maar opdat het tot God komt moet het vooraf worden gezouten. Als het ongezouten zou zijn en in het vuur komt zou het de verbranding voor God niet aangenaam zijn en het offer tevergeefs. Zo is de mens in zijn vleselijke natuur onbekwaam voor de gemeenschap met God; hij heeft het vuur nodig: d. i. het lijden en de verdrukking in het vlees, opdat zijn geest voor God vrij wordt en met dat doel worden zij door God gezonden. Maar alleen in dat geval komt hij uit dit vuur zoals de bedoeling is, als een voor God welgevallig offer te voorschijn, wanneer hij zout bij zich heeft en bij zich behoudt. Wat het zout betekent kan volgens de samenhang niet twijfelachtig zijn, het is het geloof in zijn zedelijk vernieuwende kracht, het geloof dat bewaard moet worden ook door het afhouwen van hand, voet en oog. Dus is de zin van Vers 49 volgens de samenhang deze: Geeft voor uw geloof ook het liefste over, houdt uw geloof vast dat van u zo'n zelfverloochening in het natuurlijke eist; want het Godsrijk wordt verwezenlijkt door een gericht over het vlees, omdat uw weg door het vuur van het lijden gaat. Voor God aangenaam kunt u daaruit alleen te voorschijn komen, wanneer u het geloof op die manier behoudt, dat u omwille van Hem het liefste overgeeft en verloochent. Zo is het dan zeker een goede zaak, het zout (Vers 50) d. i. het is een goed, dat werkelijk waarde heeft, het geloof te bezitten, maar alleen wanneer met dat in zijn zedelijk vernieuwende kracht tegenover het vlees stelt. Laat men het stomp worden, doordat men naar het vlees leeft evenals vroeger, vóórdat men geloofde, dan is het gedaan met het zegerijk blijven staan in de bestrijding, dan laat men het varen en men ergert zich. Het is een onherstelbaar verlies. Zo zeker als men zout door andere middelen niet weer zout kan maken, zo zeker is het onmogelijk de goddelijke kracht van het geloof door eigen middelen te vergoeden. De zin van het tweede gedeelte van het vers, die zich aan deze gedachte aansluit, besluit de gehele vermaning. In zichzelf moeten zij zout hebben, scherp moet men zijn tegen zichzelf, zoals het geloof dat tegen het natuurlijke leven strijdt eist; maar tegenover elkaar moet men de dienst van de vrede uitoefenen. Beide, het zelfverloochenend vasthouden aan het geloof en de zelfverloochende liefde omtrent de broeders had Jezus in deze hele vermanende rede aanbevolen. Aan de laatste herinnert Hij hier nog eens, omdat een ontevredenheid, uit zelfzucht voortgesproten, de aanleiding tot het gesprek had gegeven.
Het altaar-vuur vormt een tegenstelling tot het vuur van de hel. Het is het goddelijk vuur, waarin de mens vrijwillig met zijn offer ingaat om niet aan het gedwongen helse vuur te worden overgegeven; als wij onszelf oordelen worden wij niet geoordeeld. Die opoffering moet niet voortkomen uit vrees, maar uit liefdevolle gehoorzaamheid, niet als een daad van vrees, maar vrijwillig als een daad van de Geest, van de gehoorzaamheid en dat betekent het zout.
Niet alleen zij die verloren gaan, maar ook zij die behouden worden zullen door het vuur als met zout besprengd worden; de laatsten echter niet door het vuur van het oordeel, maar van de Heilige Geest. - Zoals de offerande voor God niet heilig was zonder met zout besprengd te zijn, zo ook de mens niet die niet gedoopt is met de Heilige Geest die hem voor het bederf van de zonde bewaart. Heb in uzelf wat uzelf van het bederf bevrijdt en anderen voor het bederf bewaart: de genade, de waarheid, de Heilige Geest.
Wij moeten onszelf voor de Heere en onze God tot levende offeranden stellen (Romeinen 12:1) en als zodanig met zout gezouten zijn; onze bedorven neigingen moeten onderdrukt en gedood worden en wij moeten in onze zielen een geur van genade hebben. Zij die dat zout van de genade bezitten moeten ook tonen dat zij het bezitten, dat zij zout in zichzelf hebben, een levend beginsel van de genade in hun harten, dat de bedorven neigingen uit de ziel uitbant, die onze God zouden beledigen, of onze eigen gewetens, zoals onrein voedsel onreine spijze doet. Ons woord moet altijd met zout zijn besprengd, van genade doortrokken, zodat geen onreine mededeling uit onze mond gaat, maar wij die haten. Laat ons, de schrik voor de Heere kennend, dit zo doen.
Gezegende Jezus, Gij brengt goede berichten. Wie van de profeten onder de wet heeft ooit de verschrikkingen van de Heere in zo'n ontzaglijk licht gesteld als waarin Gij ze geplaatst hebt? Mochten wij allen werkelijk de smart ontvluchten die komen zal en als wij niet op ene of andere dag met vuur gezouten willen worden, mogen dan nu onze harten van Uw genade worden doortrokken.
50. a)Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt waarmee zult u dat smakelijk maken? b) Heb zout in uzelf en houd vrede onder elkaar. a)Mattheus 5:13. Lukas 14:34. b)Romeinen 12:18. Hebreeën 12:14.
Onder het Oude Testament werd ieder offer gezouten en van ieder offer werd iets verbrand met vuur. Dat haalt Christus hier aan en Hij verklaart het geestelijk, namelijk de oude mens door het Evangelie als door een zout wordt gekruisigd en gezouten, want ons lichaam is het ware offer. (Romeinen 12.
In Vers 48 is duidelijk de waarschuwing ten einde die in Vers 45 begon; dus kan geen verklaring van Vers 49 v. juist zijn, die niet in enig opzicht met die waarschuwing samenhangt, in plaats van met de zin, die aan de gehele voorstelling Vers 45-48 ten grondslag ligt, namelijk dat de discipel van Jezus bereid moet zijn in een conflict van zijn natuurlijk belang met zijn geloof, ook het dierbaarste over te geven om de schat van het geloof te behouden. Daarom verwacht men een zin met "want" die zegt dat zulke aanvechtingen noodzakelijk moeten komen en zo'n zin komt hier dan ook werkelijk voor, wanneer men maar geen verwarring in de rede daardoor brengt, dat men het "met vuur" in de eerste helft van Vers 49 als een onderscheidend teken van het eerste "gezouten worden" opvat tegenover het tweede, door het "met zout" nader bepaalde d. i. als een tweede middel om te kruiden naast het zout, maar de rede in dat opzicht juist verstaat, dat hier over een zouten, voor het vuur verteld wordt. Het offer is voor het vuur bestemd: door het louterende vuur komt het als welgevallige gave tot God en wordt het tot een liefelijke reuk. Maar opdat het tot God komt moet het vooraf worden gezouten. Als het ongezouten zou zijn en in het vuur komt zou het de verbranding voor God niet aangenaam zijn en het offer tevergeefs. Zo is de mens in zijn vleselijke natuur onbekwaam voor de gemeenschap met God; hij heeft het vuur nodig: d. i. het lijden en de verdrukking in het vlees, opdat zijn geest voor God vrij wordt en met dat doel worden zij door God gezonden. Maar alleen in dat geval komt hij uit dit vuur zoals de bedoeling is, als een voor God welgevallig offer te voorschijn, wanneer hij zout bij zich heeft en bij zich behoudt. Wat het zout betekent kan volgens de samenhang niet twijfelachtig zijn, het is het geloof in zijn zedelijk vernieuwende kracht, het geloof dat bewaard moet worden ook door het afhouwen van hand, voet en oog. Dus is de zin van Vers 49 volgens de samenhang deze: Geeft voor uw geloof ook het liefste over, houdt uw geloof vast dat van u zo'n zelfverloochening in het natuurlijke eist; want het Godsrijk wordt verwezenlijkt door een gericht over het vlees, omdat uw weg door het vuur van het lijden gaat. Voor God aangenaam kunt u daaruit alleen te voorschijn komen, wanneer u het geloof op die manier behoudt, dat u omwille van Hem het liefste overgeeft en verloochent. Zo is het dan zeker een goede zaak, het zout (Vers 50) d. i. het is een goed, dat werkelijk waarde heeft, het geloof te bezitten, maar alleen wanneer met dat in zijn zedelijk vernieuwende kracht tegenover het vlees stelt. Laat men het stomp worden, doordat men naar het vlees leeft evenals vroeger, vóórdat men geloofde, dan is het gedaan met het zegerijk blijven staan in de bestrijding, dan laat men het varen en men ergert zich. Het is een onherstelbaar verlies. Zo zeker als men zout door andere middelen niet weer zout kan maken, zo zeker is het onmogelijk de goddelijke kracht van het geloof door eigen middelen te vergoeden. De zin van het tweede gedeelte van het vers, die zich aan deze gedachte aansluit, besluit de gehele vermaning. In zichzelf moeten zij zout hebben, scherp moet men zijn tegen zichzelf, zoals het geloof dat tegen het natuurlijke leven strijdt eist; maar tegenover elkaar moet men de dienst van de vrede uitoefenen. Beide, het zelfverloochenend vasthouden aan het geloof en de zelfverloochende liefde omtrent de broeders had Jezus in deze hele vermanende rede aanbevolen. Aan de laatste herinnert Hij hier nog eens, omdat een ontevredenheid, uit zelfzucht voortgesproten, de aanleiding tot het gesprek had gegeven.
Het altaar-vuur vormt een tegenstelling tot het vuur van de hel. Het is het goddelijk vuur, waarin de mens vrijwillig met zijn offer ingaat om niet aan het gedwongen helse vuur te worden overgegeven; als wij onszelf oordelen worden wij niet geoordeeld. Die opoffering moet niet voortkomen uit vrees, maar uit liefdevolle gehoorzaamheid, niet als een daad van vrees, maar vrijwillig als een daad van de Geest, van de gehoorzaamheid en dat betekent het zout.
Niet alleen zij die verloren gaan, maar ook zij die behouden worden zullen door het vuur als met zout besprengd worden; de laatsten echter niet door het vuur van het oordeel, maar van de Heilige Geest. - Zoals de offerande voor God niet heilig was zonder met zout besprengd te zijn, zo ook de mens niet die niet gedoopt is met de Heilige Geest die hem voor het bederf van de zonde bewaart. Heb in uzelf wat uzelf van het bederf bevrijdt en anderen voor het bederf bewaart: de genade, de waarheid, de Heilige Geest.
Wij moeten onszelf voor de Heere en onze God tot levende offeranden stellen (Romeinen 12:1) en als zodanig met zout gezouten zijn; onze bedorven neigingen moeten onderdrukt en gedood worden en wij moeten in onze zielen een geur van genade hebben. Zij die dat zout van de genade bezitten moeten ook tonen dat zij het bezitten, dat zij zout in zichzelf hebben, een levend beginsel van de genade in hun harten, dat de bedorven neigingen uit de ziel uitbant, die onze God zouden beledigen, of onze eigen gewetens, zoals onrein voedsel onreine spijze doet. Ons woord moet altijd met zout zijn besprengd, van genade doortrokken, zodat geen onreine mededeling uit onze mond gaat, maar wij die haten. Laat ons, de schrik voor de Heere kennend, dit zo doen.
Gezegende Jezus, Gij brengt goede berichten. Wie van de profeten onder de wet heeft ooit de verschrikkingen van de Heere in zo'n ontzaglijk licht gesteld als waarin Gij ze geplaatst hebt? Mochten wij allen werkelijk de smart ontvluchten die komen zal en als wij niet op ene of andere dag met vuur gezouten willen worden, mogen dan nu onze harten van Uw genade worden doortrokken.
50. a)Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt waarmee zult u dat smakelijk maken? b) Heb zout in uzelf en houd vrede onder elkaar.
a)Mattheus 5:13. Lukas 14:34. b)Romeinen 12:18. Hebreeën 12:14.
Onder het Oude Testament werd ieder offer gezouten en van ieder offer werd iets verbrand met vuur. Dat haalt Christus hier aan en Hij verklaart het geestelijk, namelijk de oude mens door het Evangelie als door een zout wordt gekruisigd en gezouten, want ons lichaam is het ware offer. (Romeinen 12.
In Vers 48 is duidelijk de waarschuwing ten einde die in Vers 45 begon; dus kan geen verklaring van Vers 49 v. juist zijn, die niet in enig opzicht met die waarschuwing samenhangt, in plaats van met de zin, die aan de gehele voorstelling Vers 45-48 ten grondslag ligt, namelijk dat de discipel van Jezus bereid moet zijn in een conflict van zijn natuurlijk belang met zijn geloof, ook het dierbaarste over te geven om de schat van het geloof te behouden. Daarom verwacht men een zin met "want" die zegt dat zulke aanvechtingen noodzakelijk moeten komen en zo'n zin komt hier dan ook werkelijk voor, wanneer men maar geen verwarring in de rede daardoor brengt, dat men het "met vuur" in de eerste helft van Vers 49 als een onderscheidend teken van het eerste "gezouten worden" opvat tegenover het tweede, door het "met zout" nader bepaalde d. i. als een tweede middel om te kruiden naast het zout, maar de rede in dat opzicht juist verstaat, dat hier over een zouten, voor het vuur verteld wordt. Het offer is voor het vuur bestemd: door het louterende vuur komt het als welgevallige gave tot God en wordt het tot een liefelijke reuk. Maar opdat het tot God komt moet het vooraf worden gezouten. Als het ongezouten zou zijn en in het vuur komt zou het de verbranding voor God niet aangenaam zijn en het offer tevergeefs. Zo is de mens in zijn vleselijke natuur onbekwaam voor de gemeenschap met God; hij heeft het vuur nodig: d. i. het lijden en de verdrukking in het vlees, opdat zijn geest voor God vrij wordt en met dat doel worden zij door God gezonden. Maar alleen in dat geval komt hij uit dit vuur zoals de bedoeling is, als een voor God welgevallig offer te voorschijn, wanneer hij zout bij zich heeft en bij zich behoudt. Wat het zout betekent kan volgens de samenhang niet twijfelachtig zijn, het is het geloof in zijn zedelijk vernieuwende kracht, het geloof dat bewaard moet worden ook door het afhouwen van hand, voet en oog. Dus is de zin van Vers 49 volgens de samenhang deze: Geeft voor uw geloof ook het liefste over, houdt uw geloof vast dat van u zo'n zelfverloochening in het natuurlijke eist; want het Godsrijk wordt verwezenlijkt door een gericht over het vlees, omdat uw weg door het vuur van het lijden gaat. Voor God aangenaam kunt u daaruit alleen te voorschijn komen, wanneer u het geloof op die manier behoudt, dat u omwille van Hem het liefste overgeeft en verloochent. Zo is het dan zeker een goede zaak, het zout (Vers 50) d. i. het is een goed, dat werkelijk waarde heeft, het geloof te bezitten, maar alleen wanneer met dat in zijn zedelijk vernieuwende kracht tegenover het vlees stelt. Laat men het stomp worden, doordat men naar het vlees leeft evenals vroeger, vóórdat men geloofde, dan is het gedaan met het zegerijk blijven staan in de bestrijding, dan laat men het varen en men ergert zich. Het is een onherstelbaar verlies. Zo zeker als men zout door andere middelen niet weer zout kan maken, zo zeker is het onmogelijk de goddelijke kracht van het geloof door eigen middelen te vergoeden. De zin van het tweede gedeelte van het vers, die zich aan deze gedachte aansluit, besluit de gehele vermaning. In zichzelf moeten zij zout hebben, scherp moet men zijn tegen zichzelf, zoals het geloof dat tegen het natuurlijke leven strijdt eist; maar tegenover elkaar moet men de dienst van de vrede uitoefenen. Beide, het zelfverloochenend vasthouden aan het geloof en de zelfverloochende liefde omtrent de broeders had Jezus in deze hele vermanende rede aanbevolen. Aan de laatste herinnert Hij hier nog eens, omdat een ontevredenheid, uit zelfzucht voortgesproten, de aanleiding tot het gesprek had gegeven.
Het altaar-vuur vormt een tegenstelling tot het vuur van de hel. Het is het goddelijk vuur, waarin de mens vrijwillig met zijn offer ingaat om niet aan het gedwongen helse vuur te worden overgegeven; als wij onszelf oordelen worden wij niet geoordeeld. Die opoffering moet niet voortkomen uit vrees, maar uit liefdevolle gehoorzaamheid, niet als een daad van vrees, maar vrijwillig als een daad van de Geest, van de gehoorzaamheid en dat betekent het zout. Niet alleen zij die verloren gaan, maar ook zij die behouden worden zullen door het vuur als met zout besprengd worden; de laatsten echter niet door het vuur van het oordeel, maar van de Heilige Geest. - Zoals de offerande voor God niet heilig was zonder met zout besprengd te zijn, zo ook de mens niet die niet gedoopt is met de Heilige Geest die hem voor het bederf van de zonde bewaart. Heb in uzelf wat uzelf van het bederf bevrijdt en anderen voor het bederf bewaart: de genade, de waarheid, de Heilige Geest.
Wij moeten onszelf voor de Heere en onze God tot levende offeranden stellen (Romeinen 12:1) en als zodanig met zout gezouten zijn; onze bedorven neigingen moeten onderdrukt en gedood worden en wij moeten in onze zielen een geur van genade hebben. Zij die dat zout van de genade bezitten moeten ook tonen dat zij het bezitten, dat zij zout in zichzelf hebben, een levend beginsel van de genade in hun harten, dat de bedorven neigingen uit de ziel uitbant, die onze God zouden beledigen, of onze eigen gewetens, zoals onrein voedsel onreine spijze doet. Ons woord moet altijd met zout zijn besprengd, van genade doortrokken, zodat geen onreine mededeling uit onze mond gaat, maar wij die haten. Laat ons, de schrik voor de Heere kennend, dit zo doen.
Gezegende Jezus, Gij brengt goede berichten. Wie van de profeten onder de wet heeft ooit de verschrikkingen van de Heere in zo'n ontzaglijk licht gesteld als waarin Gij ze geplaatst hebt? Mochten wij allen werkelijk de smart ontvluchten die komen zal en als wij niet op ene of andere dag met vuur gezouten willen worden, mogen dan nu onze harten van Uw genade worden doortrokken.