6. Uw woord zij tegenover de niet-Christenen te allen tijd in aangenaamheid en daardoor geschikt om een goede, aantrekkende indruk te maken en met zout besprengd, dat men de indruk verkrijgt, dat het de rede van een Christen is en niet van een alledaagse mens (Markus 9:
50 Mattheus 5:13 en "
Leviticus 2:13, opdat u mag weten, zoals uw stand in de wereld het van u eist, hoe u een ieder naar zijn aard of naar de omstandigheden op zijn vragen, die het godsdienstige of zedelijke aangaan (
1 Petrus 3:15 v.), moet antwoorden (
1 Corinthiërs 9:20 v.).
Na hetgeen de Kolossensen in de voorbede voor de apostel hebben te doen, volgt wat zij moeten doen met werken en woorden, om de zaak van Christus te dienen. Dan wordt in de eerste plaats in de wandel zonder woord (1 Petrus 3:1) van hen wijsheid geëist, die als het ware het element moet zijn, waarin hun gehele gedrag tegenover degenen, die buiten zijn, zich beweegt. Wat nu hun woorden tot hen aangaat, wordt aangenaamheid geëist en dat zij ten allen tijde, zowel tegenover welmenende als boosaardige mensen met zout besprengd zijn. Volgens de eerste eigenschap moet de rede niets afstotends, maar alleen aantrekkends, volgens de tweede niets wekelijks, smakeloos hebben, maar wat treft en interessant is. Het eerste heeft in het ruwe, het andere in het krachteloze zijn tegenstelling.
Die niets bezit van het zout van de Christelijke ernst, van de vrees voor Gods toorn en straffen en de zorg voor de zaligheid, die verstomt, als hij spreken en zich verantwoorden moet, of zegt tot ieder dezelfde nietsbetekenende woorden.
D. Waren de drie vermaningen, die het paranetische deel van de brief sluiten, in Vers 2-6 Col van zo'n aard, dat zij eigenlijk op de dienst van het Evangelie betrekking hadden, die ieder lid van de gemeente moet bewijzen, terwijl om zo'n dienen de deelneming van de Kolossensen voor de gevangen apostel met bijzondere nadruk gevraagd was, daardoor is voldoende het nu volgende slot van de hele brief voorbereid. In plaats van onmiddellijk zelf de lezers mee te delen, hoe het met hen was, verwijst Paulus in de eerste plaats tot die berichten, die Tychicus in vereniging met Onesimus hen zal overbrengen (Vers 7-9). Daarop brengt hij groeten over van de mannen uit zijn omgeving en voegt bij hun namen enkele opmerkingen over hun verhouding of tot hem, of tot de Kolossensen (Vers 10-14). Ook van zijn kant vraagt hij groeten over te brengen en verbindt daarmee enige opdrachten (Vers 15-17). Met eigen hand zet hij nu onder een hartelijke vermaning en de gewone zegenwens zijn ondertekening (Vers 18).