2. Spreukenek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Als een mens uit u de HEERE een offerande, en wel bepaald een brandoffer zal offeren gij zult uw offeranden offeren van het vee (de grote viervoetige huisdieren), van runderen en van schapen, 1) of ook geiten (
Vers 10).
1) De plaats van samenkomst van God met Zijn volk is reeds aanwezig, maar opdat Hij, zonder verloochening van de heerlijkheid van Zijn wezen, werkelijk met Israël in gemeenschap treden, en dit wederom in Hem rusten en Zijn genade en gemeenschap deelachtig worden kan, is het daartoe verordende genade middel nog nodig. Dit middel zijn de offers, waarvan nu voortaan sprake is. De bovenstaande woorden, waarmee de wet van het offer aanvangt, stellen het brengen van offers, als een bij het volk reeds lang bekende zaak, op de voorgrond. Werkelijk treffen wij ze reeds aan bij de eerste mensen (Genesis 4:3) en dan bij de aartsvaders (Genesis 8:20; 22:1; 46:1 Job 1:5), als vorm van Godsverering, behalve de aanroeping van de naam des Heeren (Genesis 12:7; 13:4,18; 26:25; 33:20; 35:7) terwijl de eis van Mozes aan farao (Exodus 5) getuigt, dat zelfs gedurende het verblijf van de Israëlieten in Egypte het offeren niet vergeten werd en eindelijk het Sinaï werkelijk gebrachte offer (Exodus 24:5). De Heere stelt alzo met de nu volgende regeling van de offerdienst niet iets nieuws in, maar regelt, en ontwikkelt, en voltooit slechts de van de vaderen geërfde vorm van eredienst, opdat zij overeenkomt met de aard van het Verbond, dat Hij met Israël gesloten had, en de bedoeling van dat verbond werkelijk bereikt wordt..
Maar wat is eigenlijk een offer? Dat zegt zowel het Hollandse woord, dat oorspronkelijk offrian (van het latijnse offerre, d.i. aanbrengen) luidt, als ook de Hebreeuwse uitdrukking Korban (Markus 7:11), dat alle soorten van gaven voor God en goddelijke doeleinden omvat; een offer is dus een heilige gave aan God en tot Zijn dienst. Het eerste offer werd zonder twijfel op Gods bevel gebracht en onder Zijn leiding, nog op de dag zelf van de val (Genesis 3:20), en was een brandoffer, dat als bloedig offer tegelijk verzoenend was. Want eer God Adam en zijn vrouw het Paradijs deed verlaten, moest Hij wel het eerst voor de verzoening van hun zonde zorgen; want anders kon Hij naar Zijn gerechtigheid en waarheid het over hen uitgesproken Godsoordeel (Genesis 2:17) niet uitstellen en zo'n geruime tijd tot boete niet verlenen, zoals Hij die nu werkelijk vergunt; anders kon Hij naar zijn heiligheid het onmiddellijk verkeer met hen niet verder doen voortduren, gelijk dit in de toekomst werkelijk geschiedt. Het offerdier was gedurende de daad van de slachting en bloedstorting plaatsbekleder van de mensen, en leed in hun plaats de verdiende straf, die, overeenkomstig de bedreiging van God, nog op dezelfde dag hen had moeten treffen; terwijl zij zelf eigenlijk in dat offer stierven, werd hun zonde verzoend, d.i. voor Gods oog bedekt, zodat de Heere niet meer om deze zonde van hen een afkeer hebben moest; of er werd door teweeggebracht, dat de zonde niet verder om wraak tot de hemel riep, en de goddelijke genade hen ongehinderd kon zegenen. Het offerdier kon natuurlijk de plaats van de mens niet vervangen, in hetgeen het van zichzelf is, als een dier, wiens leven ook op een veel te lage trap staat, dan dat dit voor het leven van een mens zou kunnen gelden, terwijl het ook geen vrijheid van wil heeft, om als plaatsvervanger iets op zich te kunnen nemen; maar de toekomstige, rechte plaatsbekleder was reeds beloofd, op Hem kon het als profetie wijzen; Zijn plaatsvervangend lijden kon het afschaduwen, en de eerste mensen als het ware brengen binnen het bereik van de heilzame werkingen van het eerst na eeuwen te verwezenlijken raadsbesluit. Eer God Adam en zijn vrouw het Paradijs deed verlaten, moest Hij ook ten tweede hen tot vastere en meer onverdeelde overgave aan Zich verbinden, opdat zij geen prooi werden van het zich al meer ontwikkelend zondebederf; maar in plaats van in het geweld van de satan, in Zijn macht zouden zijn; alleen op deze wijze was het Hem mogelijk Zijn opvoedingswegen met hen in te slaan en onder hun nageslacht de beloofde Verlosser een plaats te bereiden. Daarom volgde op de doding en bloedvergieting tot verzoening, de verbranding van het offervlees met vuur, dat de mens zinnebeeldig voor ogen stelde: het zich geheel verliezen in God, en dat hem met heimwee in het hart uit het Paradijs deed gaan, om zelf niets te zijn, maar alleen door en tot God te leven..
Van de huid van het verbrande offerdier maakt de Heere voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, hetgeen wij reeds bij de verklaring van die plaats beschouwden als doelende op de kleren van het heil en de mantel van de gerechtigheid, welke voor de mens eenmaal in geestelijke zin zouden bereid worden. Bij dit offer, door de Heere hem aangewezen, is later een ander gevoegd, toen de mens zich toewijdde aan het hem aangewezen levensberoep, het veld te bebouwen, en hij de vrucht inzamelde; want wanneer uit Kaïns offer (Genesis 4:3), vergeleken met dat van Abel, deels blijkt, dat hij de eersteling is van allen, die het met de godsdienst zo gemakkelijk mogelijk opnemen, en als het ware met God een verdrag maken, in plaats van Hem te dienen, zo is het toch een bewijs, in zoverre Kaïn zich aan de macht van de geestelijke invloed, welke in het ouderlijk gezin heerste, niet onttrekken kon, dat reeds de eerste mensen zich verplicht hebben gevoeld, de vrucht van hun vlijt en de opbrengst van hun arbeid, de Gever van alle goede gaven en volmaakte giften toe te wijden in een door hen gebracht spijsoffer. Zo is het zeer natuurlijk, dat Noach, nadat hij met de zijnen de ark verlaten heeft, geen spijsoffer brengt, maar alleen een brandoffer (Genesis 8:20). Zijn hand is langer dan een jaar werkeloos geweest, het aardse beroep is niet waargenomen, daarom heeft hij ook niets van de vruchten van zijn vlijt aan te bieden. Wel erkennen wij daaruit, dat de Heere bij gelegenheid van dat offer Zijn genaderaad bekend maakt, voortaan de menselijke zonde met goddelijk geduld te verdragen, gelijk dan ook dit brandoffer beide doeleinden in zien verenigt, zowel voorlopig de verzoening van der zonde te bewerken, totdat de ware schuldverzoener komt, als de bereidwilligheid van het hart tot volkomen toewijding aan God zinnebeeldig voor te stellen; en daar vanwege de menselijke zwakheid het willen toch nimmer een volkomen volbrengen wordt, dat gebrek daardoor te vergoeden, dat althans het bewustzijn van de verplichting zich uitspreekt. Van de tijden van Noach af bestond er dan nog een derde soort van offers, wij bedoelen de dankoffers. Wel hebben wij daarvoor geen enkel duidelijk bewijs uit de Schrift; daar evenwel van nu aan het gebruik van vlees aan het menselijk geslacht uitdrukkelijk door God vergund wordt (Genesis 9:3), zo volgt het ontstaan van de dankoffers daaruit vanzelf. Ook uit de geschiedenis van de Joden blijkt, dat de mens van nature tot het gebruik van vlees niet bestemd geweest, en dat dit hem alleen door God met het oog op menselijke zwakheid vergund is, en wel daaruit, dat zij geen ander vlees dan offervlees genoten en hun slachtvee tevoren tot een offer gebruikten (Herodotus 1:131; 2:41). Zij hebben zonder twijfel dit gebruik overgenomen van de tweede stamvader van het menselijk geslacht. In Israël werd gedurende de tijd van de omzwerving in de woestijn dit tot een wet gemaakt (Leviticus 17:1), en wanneer zij daarna ook weer moest opgeheven worden, daar de aanwezigheid van slechts een offerplaats in het land Kanaän haar onmogelijk maakte, bleef echter de herinnering aan haar bestaan in de betekenis van het woord sebach. Op zichzelf betekent dit woord iets dat geslacht is in het algemeen (Deuteronomium 12:15; 1 Samuël. 28:24 12:15 Spreuken 17:1 ), doch dit verkrijgt dadelijk de gebruikelijke betekenis van slachtoffer (Luther, "offer", Genesis 46:1; 1 Samuël 2:29 Psalm 40:7 ) en duidt in bijzonder de dankoffers aan (Deuteronomium 12:27; 1 Samuël 6:15, ). Dien ten gevolge nemen wij met vrijmoedigheid aan, dat Noach de dieren, die voor het gebruik van hun vlees geslacht moesten worden, vooraf de Heere opofferde; dat hij hen slachtende en hun bloed vergietende, zijn zonden beleed en zich aan de genade van God overgaf, dan de vetstukken als het beste van het vlees, op het altaar met vuur verbrandde, en eerst dan, als aan Gods dis, aan wie met het beste deel het geheel toegewijd was, met het overige vlees zijn maaltijd deed. Wij menen, dat ook de oorsprong van de dankoffers bij Noach moet gezocht worden. Zij maken het andere deel van de spijsoffers uit, en hebben naar alle waarschijnlijkheid hun begin gehad, toen bij de akkerbouw ook de wijnbouw gevoegd werd, en nog meer bepaald toen de eigenlijke wijnbereiding werd uitgevonden (Genesis 9:18). Wat hem overkwam, toen hij van de nieuw uitgevonden drank de proef nam, en waardoor hij in de zwakte van zijn vlees voor zijn zonen openbaar werd, is voor de godvrezende man zeker een dringende vermaning geweest, om ook deze vrucht van zijn werkzaamheid door een offer van deze drank te heiligen. Volgens deze ontwikkeling wijzen brand- en spijsoffer op de eerste, dank- en drankoffer op de tweede stamvader van het menselijk geslacht; tot de eerste offers heeft God onmiddellijk door Zijn Woord, tot de andere door Zijn geest de impulsie of aanleiding gegeven. Dat het brandoffer tegelijk zoenoffer was bewijst duidelijk hetgeen van Job, deze uitstekende, tot het vóórmozaïsche tijdperk behorende knecht van God (1:5), vermeld wordt. De daad van de verzoening, die aan het eigenlijke brandoffer voorafging, wordt geregeld in het deel dat wij nu voor ons hebben. Zij bestaat aan de ene zijde in de tweeledige handeling van de handoplegging en van de doding, aan de andere zijde, in het opvangen van en besprenkelen met het bloed; die is de daad van de offeraar, deze de daad van de priester..