Markus 9:41-50
I. Hier zegt Christus ene beloning toe aan allen, die op enigerlei wijze vriendelijkheid zullen betonen aan Zijne discipelen, vers 41.
"Zo wie ulieden een beker waters zal te drinken geven, als gij het nodig hebt en het u ene verkwikking zal wezen, omdat gij van Christus zijt en tot Zijn huisgezin behoort, hij zal zijn loon geenszins verliezen." Het is de eer en het geluk van Christenen, dat zij van Christus zijn. Zij hebben zich bij Hem gevoegd en worden door Hem erkend, zij dragen Zijne livrei als aanhangers van Zijn huis, ja nog inniger zijn zij aan Hem verbonden, want zij zijn leden van Zijn lichaam. Zij, die Christus toebehoren, kunnen soms in zulke benarde omstandigheden verkeren, dat zij zeer blijde zijn met een beker koud waters. Christus, armen te hulp te komen in hun benauwdheid is een goede daad, die niet onbeloond zal blijven. Maar de vriendelijkheid aan Christus' armen moet hun bewezen worden om Zijnentwil, en omdat zij Hem toebehoren, Zijne armen zijn, want dat is het waardoor de vriendelijkheid geheiligd en van waarde wordt in het oog van God. Dat is ook een reden waarom wij diegenen niet koel moeten afwijzen of ontmoedigen, die de belangen van Christus' koninkrijk dienen, al delen zij niet in alles onze beschouwing en volgen zij niet altijd onze wijze van doen. Dit wordt hier gegeven als een reden, waarom diegenen niet verhinderd moeten worden, die duivelen uitwerpen in Christus' naam, hoewel zij Hem niet volgden, want (gelijk Dr. Hammond dit omschrijft) "Het zijn niet slechts de grote werken, die door u, Mijne discipelen en volgelingen, tot stand gebracht worden, welke door Mij worden aangenomen, maar wat ook maar in het minst of geringst een Christelijk werk is, als uitdrukking van de minste vriendelijkheid, zoals het geven van een beker waters aan een discipel, omdat hij Mijn discipel is, is Mij welbehaaglijk en zal door Mij beloond worden." Indien Christus vriendelijkheid, aan ons bewezen, beschouwt als diensten jegens Hem, dan behoren wij diensten, die voor Hem gedaan worden, te beschouwen als vriendelijkheid, bewezen aan ons, en ze dus aanmoedigen, al worden zij ook gedaan door hen, die niet met ons volgen.
II. Jezus spreekt ene bedreiging uit tegen hen, die Zijn kleinen ergeren, hun moedwillig aanleiding geven tot zondigen of hun leed veroorzaken, vers 42. Zo wie ware Christenen zal bedroeven, al behoren zij ook tot de zwaksten, hun gaan op Gods wegen zal belemmeren, of hun voortgaan op die wegen zal zoeken te verhinderen, hen zal weerhouden van goed te doen, of hen zal verleiden tot zonde, het ware hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware, zijne straf zal zeer zwaar zijn, en de dood en het verderf zijner ziel ontzettender, dan zulk een dood en verderf voor zijn lichaam zijn zouden. Mattheus 18:6.
III. Hij waarschuwt al Zijne volgelingen om hun ziel niet te verderven. Deze barmhartigheid moeten wij het eerst aan ons zelven oefenen. Als wij er ons voor moeten wachten om iets te doen, dat anderen belet goed te doen of hun aanleiding kan geven tot zonde, dan moeten wij er nog veel meer acht op geven om alles te vermijden, dat ons zelven van onzen plicht afhoudt of ons tot zonde zou kunnen brengen, en dit behoren wij te verzaken, op te geven, al ware het ons ook nog zo dierbaar. Wij hebben dit tweemaal gehoord in Mattheus 5:29, 30, en hoofdstuk 18:8, 9. Hier wordt er enigszins uitvoeriger op aangedrongen, en voorzeker wordt onze ernstige aandacht geëist voor hetgeen ons met zoveel ernst en nadruk wordt gezegd. Merk op:
1. Het veronderstelde geval, dat onze eigen hand, ons eigen oog, of onze eigen voet ons ergert, dat het onreine bederf, waaraan wij toegeven, ons zo dierbaar is als een oog of een hand, of dat hetgeen voor ons als een oog of een hand is, ons een onzichtbare verzoeking wordt tot zonde, of zonde veroorzaakt. Gesteld, dat het beminde een zonde is geworden, of de zonde het beminde. Gesteld, dat wij datgene, hetwelk ons dierbaar is, niet kunnen behouden, of het zal ons een strik of struikelblok worden, gesteld dat wij er afstand van moeten doen, of anders Christus en een goed geweten zouden derven.
2. Den plicht, die in zulk een geval is voorgeschreven. Werpt uit het oog, houwt af de hand en den voet, doodt de lievelingszonde, kruisigt haar, laat haar doodhongeren. Laat de afgoden, die gewenste dingen waren, als verfoeiselen worden weggeworpen, houdt u verre van hetgeen ene verzoeking is, al is het ook nog zo lieflijk of strelend. Tot bewaring van het gehele lichaam moet het deel, dat door koudvuur is aangetast, weggesneden worden. Wij moeten pijn lijden, willen wij aan bederf ontkomen, wij moeten ons zelven verloochenen, willen wij niet zelven ten verderve gaan.
3. Het noodzakelijke hiervan. Het vlees moet gedood worden, opdat wij kunnen ingaan tot het leven, vers 43, 45, in het koninkrijk Gods, vers 47. Hoewel wij, door het opgeven der zonde, voor het ogenblik een gevoel kunnen hebben, alsof wij kreupel en verminkt waren (het kan den schijn hebben alsof wij ons zelven geweld aandeden, en ons zelven ook enig ongerief bezorgden) maar het is voor leven, en al wat de mensen hebben, zullen zij geven voor hun leven, het is voor een koninkrijk, het koninkrijk Gods, dat wij op geen andere wijze kunnen verkrijgen. Aldus kreupel en verminkt te zijn, zullen het de tekenen wezen van den Heere Jezus, en in dat koninkrijk zullen zij als eervolle littekenen gelden.
4. Het gevaar van dit niet te doen. Het is met die zaak zo gesteld, dat of de zonde, of wij zelven moeten sterven. Als wij deze Delila aan onzen boezem koesteren, dan zal zij ons verraden, indien wij ons door de zonde laten beheersen, dan zal zij ons onvermijdelijk ten verderve voeren, indien wij twee handen, en twee ogen en twee voeten willen behouden, dan zullen wij er mede in de hel worden geworpen. Onze Heiland heeft dikwijls op onzen plicht bij ons aangedrongen uit overweging van de pijniging der hel, waarin wij ons storten zo wij volharden in de zonde. Met hoe ontzaglijken nadruk worden deze woorden hier drie maal herhaald: Waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt! Die woorden zijn aangehaald van Jesaja 66:24.
a. De verwijtingen van des zondaars eigen geweten zijn de worm, die niet sterft, en die de veroordeelde ziel zal blijven aankleven, zoals wormen zich vasthechten aan het dode lichaam en er op azen, en het niet verlaten voor het geheel verslonden is. Het: "Kind gedenk" zal dien worm aan het knagen zetten, en hoe schrikkelijk invretend zal het knagen zijn door dat woord: Hoe heb ik de tucht gehaat! Spreuken 5:12, 23. De ziel, die het voedsel is voor dezen worm, sterft niet, en de worm wordt er in geteeld, en is er een mede, en daarom sterft ook hij niet. Verdoemde zondaren zullen zich tot in eeuwigheid beschuldigen, zich zelven veroordelen, zich zelven hun dwaasheid verwijten, welke dwaasheden, hoe lief zij ze in dit ogenblik ook hebben, in het einde zullen bijten als ene slang en steken als een adder.
b. De toorn Gods, zich hechtende aan de schuldige en bevlekte consciëntie, is het vuur, dat niet uitgeblust wordt, want het is de toorn van den levenden God, den eeuwigen God, in wiens handen te vallen vreeslijk is. Er zijn op de zielen van veroordeelde zondaren gene werkingen van den Geest der genade, en daarom is er niets dat verandering kan brengen in den aard der brandstof, die tot in alle eeuwigheid brandbaar zal blijven, ook is er op hen gene toepassing van Christus' verdienste, en daarom is er niets dat de heftigheid van het vuur kan matigen. Dr. Whitby toont aan, dat de eeuwigheid der helse straffen niet slechts het voortdurend, standvastig geloof was der Christelijke kerk, maar ook evenzo van de Joodse kerk. Josephus zegt: De Farizeeën geloofden, dat de zielen der bozen met eeuwigdurende straffen gestraft zullen worden, en dat er een eeuwigdurende gevangenis voor hen bestemd was. En Philo zegt: De straf der goddelozen is voor eeuwig stervende te leven, en in eeuwigdurende pijnen en smarten te zijn. De twee laatste verzen zijn ietwat moeilijk, en de uitleggers zijn het niet eens onder elkaar omtrent de betekenis er van. Want een ieder in het algemeen, of veeleer een ieder van hen, die in de hel geworpen worden, zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden. Daarom: Hebt zout in uzelven. Het was verordineerd door de wet van Mozes, dat iedere offerande met zout gezouten moest worden, niet ter bewaring (want zij moest terstond verteerd worden), maar omdat het de spijze was van Gods tafel, en geen vlees zonder zout wordt gegeten, werd dit inzonderheid voor het spijsoffer vereist, Leviticus 2:13. De menselijke natuur verdorven zijnde, en als zodanig vlees genoemd, Genesis 6:3, Psalm 78:39, moet zij op de een of andere wijze worden gezouten, om Gode ene offerande te zijn. Onze voornaamste zorg moet zijn, ons Gode tot een levende offerande te stellen, Romeinen 12:1, en om Gode aangenaam te zijn moeten wij met zout gezouten worden, onze verdorven genegenheden moeten ten onder gebracht worden, en wij moeten in onze ziel ene reuk der genade hebben. Zo wordt de offerande der heidenen gezegd aangenaam te worden, geheiligd zijnde door den Heiligen Geest, Romeinen 15:16, gelijk de offeranden gezouten werden. Zij, die het zout der genade bezitten, moeten doen blijken dat zij het hebben, dat zij zout in zich zelven hebben, dat is: een levend beginsel van genade in hun hart, dat alle verdorven neigingen uitwerpt, met al datgene in de ziel, dat tot verrotting neigt en aanstotelijk zou zijn voor God en ons eigen geweten, zoals laffe, onsmakelijke spijzen weerzin opwekken. Ons woord moet te allen tijde met dit zout besprengd zijn, opdat geen verdorven, of vuile rede uitga uit onzen mond, wij moeten daar even sterke walging van hebben als wij er van hebben zouden om verrot vlees in onzen mond te doen. Gelijk dit zout der genade ons een onergerlijk geweten doet hebben, zo zal het ook onze gesprekken met anderen onergerlijk houden, zodat wij Christus' kleinen niet ergeren, en wij vrede houden onder elkaar. Wij moeten dit zout der genade niet slechts hebben, maar wij moeten er ook altijd den geur en den smaak van behouden, want indien dit zout onzout wordt, indien een Christen wegvalt van zijn Christendom, indien hij er den geur van verliest, en er niet langer de kracht en de invloed van is, wat kan hem terecht brengen, of waarmee zal hij gezouten worden? Dit werd gezegd in Mattheus 5:13. Zij, die zich niet tot levende offeranden stellen van Gods genade, zullen voor eeuwig gesteld worden tot stervende offeranden van Zijne gerechtigheid, en daar zij Hem geen eer wilden geven, zal Hij zich eer op hen verkrijgen. Zij wilden niet gezouten worden met het zout der Goddelijke genade, wilden dit niet toelaten om hun verdorven genegenheden ten onder te houden, neen, aan die operatie wilden zij zich niet onderwerpen, zij konden het inbijtende niet verdragen, dat nodig was om het hoogmoedige vlees weg te krijgen, dat was voor hen als het afhouwen van ene hand, of het uitrukken van het oog, en daarom zullen zij in de hel met vuur gezouten worden, vurige kolen zullen over hen gestrooid worden, Ezechiël 10:2, als zout op het vlees, en met zwavel, Job 18:15, evenals het vuur en zwavel over Sodom regende, de geneugten, waarin zij hebben geleefd, zullen hun vlees als een vuur verteren, Jakobus 5:3. De pijn van thans het vlees te doden, kan niet meer bij de straf vergeleken worden wegens het niet doden er van, dan zouten met branden vergeleken kan worden. En daar Hij gezegd heeft dat het vuur der hel niet uitgeblust zal worden, en men de tegenwerping zou kunnen maken, dat de brandstof niet altijd zal duren, geeft Hij hier te kennen, dat zij door de macht Gods wèl voort zal duren, want zij, die in de hel geworpen worden, zullen bevinden dat het vuur niet slechts de bijtende hoedanigheid bezit van het zout, maar ook deszelfs bewarende hoedanigheid, waarom het gebruikt wordt om iets duurzaams aan te duiden, een zoutverbond is een eeuwig verbond, en de vrouw van Lot in een zoutpilaar veranderd zijnde, werd zij tot een blijvend gedenkteken der Goddelijke wraak. Daar dit nu ongetwijfeld het lot zal wezen van hen, die het vlees met zijne lusten en begeerlijkheden niet kruisigen, zo laat ons, wetende dezen schrik des Heeren, bewogen worden het te doen.