17. En het afzetsel, dat vier ellen hoog was, veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijne vier zijden, en de rand, om hier de beschrijving in
Vers 13 weer voort te zetten, rondom hetzelve de helft ener el; en de boezem daaraan, de voet om ook daarvan nog eens te spreken, ééne el rondom; en zijne trappen, langs welke men tot den vuurhaard opklom, waren met herinnering aan de toekomst des Heeren in
Hoofdstuk 44:1, ziende naar het oosten (
1 Koningen 7:23).
De beschrijving begint met het fondament des altaars, en geeft van onder naar boven voortgaande, de hoogte en breedte der verschillende trapsgewijze opklimmingen der altaarwanden aan tot aan de hoornen der vier hoeken (Vers 10-15); dan daalt zij weer van boven naar beneden af, om de lengte en breedte of den omvang der trapsgewijze opklimmingen in `t bijzonder voor te stellen (Vers 16, 17). Als eerste of benedenste deel wordt genoemd de met een rand van boven voorziene basis of de rug, die ene el hoog was, waarbij nog de hoogte van den rand met een half el komt. Boven dezen rand verhief zich dan het altaar, dat in afdelingen naar boven telkens kleiner werd. De benedenste afdeling heet de kleinste, om de geringere hoogte, want daar het slechts 2 ellen hoog was, had daarentegen de bovenste afdeling 4 ellen hoogte, en even hoog was de Harel, die zich boven de laatste verhief, en welke de basis uitmaakte voor den vuurhaard boven op den Ariël, welks vier hoeken elk van een toren voorzien waren. Zonder twijfel is ook voor deze de opgegevene hoogte van een span of half el van toepassing, even als voor den rug. De gehele hoogte bedraagt hier 1 en een half en 2, 4 en 4 en een half = 12 ellen, welke maat ook voor lengte en breedte van de altaarvlakte in vers 16 wordt aangegeven. Rekenen wij daarvan de hoogte van den Ariël, een half el, en de hoogte van den rug en zijn overstek af, 1 en een half el, dan verkrijgen wij voor het eigenlijke altaar te zamen 10 ellen, welke hoogte ook het brandofferaltaar van den tempel van Salomo had (2 Kron. 4:1). Volgens den maat van het laatste hebben wij voor de gehele lengte van het overdek boven den rug 20 ellen te nemen. Onder dien trad de rug zelf 1 el terug en eveneens sprong de lagere afzetting bij de hogere en deze weer bij den Godsberg 1 el vooruit. Alzo hebben wij zonder twijfel de opgaven van breedte in Vers 13 (vgl. 17) en 14 te verstaan. In den door Herodes den Grote gebouwden tempel (Mattheus 4:7) was de grootte van het altaar tot in `t buitengewone vergroot; het had 15 ellen hoogte en 50 el in omvang (Joseph b. Judas V. 5, 6). Doch op de uitwendige, in `t oogvallende heerlijkheid komt het bij de herstelling der theokratie niet aan, maar op het inwendige, en dan zijn in de maten gewoonlijk de symbolische getallen behouden. Want even als de hoogte van het gehele altaar en de lengte en breedte van den vuurhaard het opmerkelijk twaalftal heeft, de gemeente, welke de offers brengt, dus het gehele Israël in zich sluit, zo geven de rug en de beide afzetsels met hun hoogten het zevental (1, 2 en 4 = 7). Zij stellen de gemeente voor als ene verbonds-, ene heilige gemeente. Nu is in den 4 ellen hogen Harel de Godsberg aanwezig, van welken in Jesaja 2:2, Micha 4:1, Zacharia 14:10, voorzegd is, en waardoor Israëls verhevene en wereld omvattende roeping in bijzondere kortheid wordt voorgesteld. Op dezen verheft zich in den vuurhaard Jeruzalem als de Ariël van dubbele betekenis (Jesaja 29:2), als de stad, waar de Heere vuur en haard heeft (Jesaja 31:9), en waar de Sanherib van den laatsten tijd, de Antichrist met zijn leger (Hoofdstuk 38, 39), door den strijd van den leeuw Gods beschaamd wordt (Jesaja 66:15-18). Wat de Heere bij den tempelbouw van Herodes bedoelde, hebben wij in Jesaja 66:1-4 gelezen, nu heeft Hij echter voor Zich Zijnen tempel en Zijnen godsdienst hersteld zo als Hij dien volgens Jesaja 66:19-24 wil hebben.