Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 43
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
TOEN leidde Hij mij tot de poort, de poort die den weg naar het oosten zag.
2
En zie, de
1
heerlijkheid van den God Israëls kwam van den weg naar het oosten; en Zijn
2
stem was als het
a
geruis van
3
vele wateren, en de aarde werd
4
verlicht van Zijn heerlijkheid.
3
En
5
alzo was de gedaante van het gezicht dat ik zag, gelijk het
b
gezicht dat ik gezien had toen ik kwam om de stad te
6
verderven; en het waren gezichten als het gezicht dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik
7
viel op mijn aangezicht.
4
En de heerlijkheid des HEEREN kwam in het
8
huis,
door
den weg der poort die den weg naar het oosten
9
zag.
5
En de
10
Geest nam mij op en bracht mij in het binnenste voorhof; en zie, de heerlijkheid des HEEREN had het huis
11
vervuld.
6
En ik hoorde
12
Een Die met mij sprak uit het huis; en
13
de Man was bij mij staande.
7
En
14
Hij zeide tot mij: Mensenkind,
dit
is de plaats Mijns troons en de
15
plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls in
16
eeuwigheid; en
17
die van het huis Israëls zullen Mijn
18
heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun
19
hoererij en met de
c
20
dode lichamen hunner koningen,
21
op
hun hoogten;
8
Als zij
22
hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post nevens Mijn post, dat er
maar
een
23
wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heiligen Naam met hun gruwelen die zij deden; waarom Ik hen verteerd heb in Mijn toorn.
9
24
Nu zullen zij hun hoererij en de
25
dode lichamen hunner koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.
10
Gij mensenkind, wijs het huis Israëls
26
dit huis, opdat zij
27
schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat hen het
28
patroon afmeten.
11
En indien zij schaamrood worden vanwege alles wat zij gedaan hebben,
29
zo maak hun bekend den vorm van het huis en zijn gestaltenis, en zijn uitgangen en zijn ingangen, en al zijn vormen en al zijn ordinantiën, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en
30
schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn gansen vorm en al zijn ordinantiën bewaren en dezelve doen.
12
Dit is de wet des huizes: op de
31
hoogte des bergs zal zijn ganse grens, rondom heen, een
32
heiligheid der heiligheden zijn; zie, dit is de wet des huizes.
13
En dit zijn de maten des
33
altaars naar de
34
ellen, zijnde de el een el en een handbreed: de
35
boezem van een
36
el, en een el de
37
breedte; en zijn
38
einde aan zijn
39
rand rondom één span; en dit is de
40
rug des altaars.
14
Van den boezem nu
op
de aarde tot aan het onderste
41
afzetsel, twee ellen, en de breedte één el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte één el.
15
En de
42
Harel vier ellen; en van den Ariël voorts opwaarts, de vier
43
hoornen.
16
De Ariël nu, twaalf
ellen
de lengte met twaalf
ellen
breedte, vierkant aan zijn vier
44
zijden.
17
En het
45
afzetsel veertien
ellen
de lengte met veertien
ellen
breedte, aan zijn vier zijden; en de rand rondom hetzelve, de helft ener el; en de
46
boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.
18
En Hij zeide tot mij: Mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de ordinantiën
47
des altaars, ten dage als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren en om bloed daarop te sprengen.
19
En gij zult aan de Levitische priesters dewelke uit het zaad van
48
Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt de Heere HEERE) om Mij te dienen, geven een var, een
49
jong rund, ten zondoffer.
20
En gij zult van deszelfs bloed nemen en het doen aan zijn vier hoornen en aan de vier hoeken des afzetsels en aan den rand rondom; alzo zult gij het
50
ontzondigen en het verzoenen.
21
Daarna zult gij den var des zondoffers nemen, en hij zal hem verbranden in een
51
bestelde plaats van het huis,
52
buiten het heiligdom.
22
En op den tweeden dag zult gij een volkomen geitenbok offeren ten zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, gelijk als zij
dat
ontzondigd hebben met den var.
23
Als gij een einde zult gemaakt hebben van het ontzondigen,
dan
zult gij een var, een volkomen jong rund, offeren, en een volkomen ram van de kudde.
24
En gij zult ze offeren voor het aangezicht des HEEREN; en de priesters zullen
53
zout daarop werpen, en zullen ze offeren
ten
brandoffer den HEERE.
25
Zeven dagen zult gij dagelijks een bok des zondoffers bereiden; ook
54
zullen zij een var, een jong rund, en een ram van de kudde,
beide
volkomen, bereiden.
26
Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen en het reinigen, en zijn
55
handen vullen.
27
Als zij nu deze dagen zullen voleind hebben, dan zal het op den achtsten dag en voortaan geschieden, dat de priesters
56
uw brandoffers en uw dankoffers op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Heere HEERE.