14. Als de priesters ingegaan zullen zijn (liever: komen, namelijk van hun ambtsverrichtingen aan het brandofferaltaar, of in het heilige des tempels, zo zullen zij uit het heiligdom niet weer uitgaan in het buitenste voorhof, en zich daar onder het volk vermengen, maar op den afgezonderden gang voor het gebouw der kamers zich naar deze terugtrekken, en aldaar hun klederen henen leggen, in dewelke zij gediend hebben, want die zijn ene heiligheid; en zij zullen andere klederen aantrekken, en naderen tot hetgeen voor het volk is, en dan eerst onder het volk komen.
Volgens Vers 13 moeten in de kamers de aandelen der priesters aan de offergaven worden gebracht, opdat zij daar in de Ezechiel 46:19 v. vermelde priesterkeukens toebereid en vervolgens gegeten worden.
Het "allerheiligste" (Exodus 40:10) is de algemene soort, "spijsoffer" enz. de verschillende soorten. Nu worden de spijsoffers en de zond- en schuldoffers genoemd, niet de slachtoffers, omdat alleen bij de eerste de delen, welke den priesters toevielen hoogheilig waren, en als zodanig door de priesters alleen in hun functie mochten worden gegeten, terwijl bij de brandoffers het aandeel der priesters door hen met hun gehele familie ook door de vrouwelijke leden worden gegeten.
Van het eten is het deponeren der hoogheilige offerdelen onderscheiden, omdat noch het met olie gemengde meel van het spijsoffer, noch het vlees van het zoen- en schuldoffer dadelijk na het aanbieden van het offer door priesters kon worden verteerd, waar het eerste vooraf gebakken, het andere eerst gekookt moest worden, en tot op dien tijd op enige plaats moest worden neergelegd. Op enige heilige plaats moest volgens Vers 14 ook het aandoen en afleggen als ook het bewaren der heilige ambtsklederen plaats vinden.
Deze beide verzen zijn een geschikte tekst voor ene bevestigingsrede. Men moet in enen Evangelischen prediker vóór andere dingen, boven alle wetenschap, kennis, beschaving enz. dit kunnen zien, dat hij in het genot van het offer van Christus is, profane dienaars profaneren het heiligdom. In `t bijzonder kan men uit Vers 14 veel pastoraal wijsheid leren; maar niet, hoe men den mantel of steek of toga een poos kan wegleggen, of aan den kapstok hangen, om zich met de wereld vrolijk te maken. " Het geestelijk kleed maakt zeker geen geestelijk man, maar het is toch ene vermaning.