1 Timotheus 4:6-16
De apostel verlangde dat Timotheus in de harten der Christenen gevoelens zou planten, waardoor voorkomen werd dat zij door Joodse leraren zouden verleid worden. De goede dienaren van Jezus Christus zullen ijverig in hun werk zijn, niet er op uit zijn om nieuwe dingen te verkondigen, maar om den broederen in gedachtenis te brengen de dingen, die zij ontvangen en gehoord hebben. Daarom zal ik niet verzuimen altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet, 2 Petrus 1:12. En evenzo: Ik wek door vermaning uw oprecht gemoed op, 2 Petrus 3:1. En de apostel Judas zegt, in vers 5 : Ik wil het u indachtig maken. Gij ziet dat de apostelen en apostolische mannen het een voornaam deel van hun werk achtten het geheugen hunner hoorders wakker te houden, want wij zijn geneigd om te vergeten, en langzaam in het leren en herinneren der dingen Gods. -Gij zijt opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer, welke gij achtervolgd hebt. Merk hier op:
1. Zelfs dienaren hebben nodig te groeien en toe te nemen in de kennis van Christus en Zijne leer, zij moeten gevoed worden met de woorden des geloofs.
2. Het beste middel voor dienaren om te groeien in kennis en geloof is ze hun broederen in gedachtenis te brengen, door anderen te onderwijzen, leren wij zelf.
3. Zij, die door de dienaren onderwezen worden, zijn broederen en moeten als broederen behandeld worden, want de dienaren zijn geen heren over de erfenis Gods.
I. De godzaligheid wordt hem en den anderen hier aan het harte gelegd: Verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen, vers 7. De Joodse overleveringen, waarmee sommigen hun hoofden vullen, doen in `t geheel geen nut.
Maar oefen uzelven tot godzaligheid, dat is, beoefen de praktische godsvrucht. Zij, die goddelijk willen zijn, moeten zich oefenen tot god- zaligheid, het vereist voortdurende oefening. De reden daarvoor is de winst der godzaligheid. Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut, vers 9, of slechts voor korten tijd nuttig. Zich onthouden van spijzen en van huwelijk en dergelijke, ofschoon ze doorgaan voor daden van kruisiging des vlezes en van zelfverloochening, geven weinig nut en dienen tot niets. Wat zal het ons baten indien wij het lichaam wèl, maar de zonde niet doden? Merk hier op:
1. Er is groot nut te winnen door de godzaligheid, zij zal ons van nut zijn geheel ons leven, want zij heeft de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens.
2. Het nut der godzaligheid ligt voornamelijk nog in beloften, deze beloften hebben voor de Christenen betrekking op dit, maar meer bepaald op het toekomende leven. Onder het Oude Testament sloegen de beloften meest op tijdelijke zegeningen, maar onder het Nieuwe Testament meest op geestelijke en eeuwige zegeningen. Wanneer de Christenen slechts weinig hebben van de goede dingen des tegenwoordigen levens, dan zal hun dat vergoed worden in de dingen des toekomenden levens.
3. Daar waren in de dagen der apostelen ongoddelijke en oudwijfse fabelen, en Timotheus, ofschoon een voortreffelijk man, was niet verheven boven de vermaning: Verwerp die! 4. Het is niet genoeg, dat wij de ongoddelijke en oudwijfse fabelen verwerpen, maar wij moeten ons ook oefenen in de godzaligheid, wij moeten niet alleen ophouden kwaad te doen, maar ook leren goed te doen, Jesaja 1:16, 17, en wij moeten er ons aan gewennen om de godzaligheid te beoefenen.
5. Zij, die waarlijk godzalig zijn, zullen er bij winnen, wat er ook komen moge van hen, die zich tevreden stellen met lichamelijke oefening, want de godzaligheid heeft de beloften.
II. De aanmoediging welke wij hebben om voort te gaan in den weg der godzaligheid en ons daarin te oefenen, niettegenstaande de moeilijkheden en teleurstellingen, die wij daarbij ontmoeten. Hij had gezegd: Zij is tot alle dingen nut, hebbende de beloften des tegenwoordigen en toekomenden levens. Maar de vraag is: Weegt het voordeel tegen het verlies op? Zo niet, dan is het geen voordeel. Hier is een ander van Paulus' getrouwe woorden, aller aanneming waardig: dat al ons werken en verlies in den dienst Gods en het werk van den godsdienst overvloedig beloond zal worden, zodat, ofschoon wij voor Christus verliezen mogen, wij niet door Hem verliezen zullen. Hiertoe arbeiden wij ook en worden gesmaad, omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, vers 10. Merk op:
1. De godzaligen arbeiden en verwachten verwijten, zij moeten wèldoen en terzelfder tijd kwalijke behandeling verwachten, zorg en moeite zullen ons deel zijn in deze wereld, niet alleen als mensen, maar ook als heiligen.
2. Zij, die arbeiden en gesmaad worden in den dienst van God en het werk van den godsdienst, mogen rekenen op den levenden God, dat zij er niet door zullen verliezen. Dat moet hen aanmoedigen. Wij hopen op den levenden God. De overweging, dat de God die op zich genomen heeft onze betaalmeester te zijn, de levende God is, die zelf eeuwig leeft en de fontein van alle leven is voor degenen die Hem dienen, moet ons bemoedigen in al ons lijden en werken voor Hem, voornamelijk bij de beschouwing dat Hij een behouder is van alle mensen.
A. Door Zijne voorzienigheid bewaart Hij de personen en verlengt de levens van alle mensen.
B. Hij heeft een algemene goedwilligheid voor de eeuwige zaligheid van alle mensen, in zoverre dat Hij niet wil dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering zullen komen. Hij begeert niet den dood des zondaars, Hij is dus in dat opzicht de behouder van alle mensen, dat geen hunner gelaten is in den wanhopigen toestand der gevallen engelen. Welnu, indien Hij dus de behouder is van alle mensen, mogen wij daaruit afleiden dat Hij veelmeer wil zijn de beloner dergenen, die Hem zoeken en dienen. Indien Hij zo welwillend is voor al Zijne schepselen, hoeveel temeer zal Hij hen verzorgen, die door wedergeboorte nieuwe schepselen geworden zijn. Hij is de Behouder aller mensen, maar allermeest der gelovigen. De zaligheid, die Hij bewaard heeft voor degenen die geloven, is voldoende om hen voor al hun dienst en lijden te belonen. Hier zien wij:
a. Het leven des Christens is een leven van moeite en lijden.
Wij arbeiden en lijden.
b. Het meest kunnen wij verwachten te zullen lijden in deze wereld voor ons goeddoen, voor ons werk des geloofs en onzen arbeid der liefde. c. Ware Christenen vertrouwen op den levenden God, want vervloekt is de man die op vlees vertrouwt, of op iets buiten den levenden God, en zij, die op Hem vertrouwen, zullen nooit beschaamd worden. Vertrouw op Hem te allen tijd.
d. God is de algemene behouder van alle mensen, en Hij heeft hen instaat gesteld om behouden te worden, maar Hij is op bijzondere wijze de behouder der gelovigen, er is dus een algemene en een bijzondere verlossing.
III. Hij besluit dit hoofdstuk met ene vermaning aan Timotheus, om:
1. Deze dingen te bevelen en te leren, de dingen die hem nu geleerd waren: "Beveel hen zich te oefenen in de godzaligheid, leer hen het nut daarvan, en dat zij door God te dienen, iemand dienen die het hun zeker belonen zal,
2. Zich te gedragen met die eerbaarheid en voorzichtigheid, welke hem de achting zullen doen winnen niettegenstaande zijne jeugd.
Niemand verachte uwe jonkheid, dat is, geef niemand aanleiding om uwe jonkheid te verachten. Iemands jonkheid zal niet veracht worden indien hij zich niet door de ijdelheden en dwaasheden der jeugd verachtelijk maakt, en dat doen zelfs wel oude mensen, die dus alleen aan zich zelven te danken hebben indien zij veracht worden.
3. Zijne leer door een goed voorbeeld te bevestigen: Wees een voorbeeld der gelovigen. Zij, die leren door hun onderricht, moeten ook leren door hun leven, anders werpen zij met de andere hand omver wat ze met de ene bouwen. Zij moeten voorbeelden zijn beide in woord en in wandel. Hun woord moet opbouwend zijn, en dat zal een goed voorbeeld geven. Zij moeten voorbeelden zijn in liefde, liefde tot God en alle goede mensen, voorbeelden in den geest, dat is in geestelijk-gezindheid, in geestelijke God verheerlijking, in geloof, dat is: in de belijdenis van het Christelijk geloof, en in reinheid of kuisheid.
4. Hij spoort hem aan tot gezet onderzoek.
Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kom. Ofschoon Timotheus buitengewone gaven had, moest hij gewone middelen gebruiken. Ook kan bedoeld zijn het openlijk voorlezen van de heilige Schrift, hij moest lezen en vermanen, dat is, lezen en uitleggen, lezen en op het hart drukken, hij moest dat doen beide door vermaning en door lering, hij moest hen leren wat zij te doen en wat zij te geloven hadden. Zie hier:
A. De dienaren moeten onderwijzen en bevelen de dingen, die hen zelven geleerd en bevolen zijn, zij moeten de mensen leren onderhouden al wat Christus bevolen heeft, Mattheus 28:20.
B. Het beste middel voor de dienaren om te voorkomen dat ze veracht worden, is te leren en te doen de dingen, die hun opgedragen zijn. Het is geen wonder dat de dienaren veracht worden, die deze dingen niet leren, of die, in plaats van goede voorbeelden voor de gelovigen te zijn, handelen in lijnrechten strijd met de leringen, die zij verkondigen, want de dienaren zijn de voorbeelden der kudde. C. De dienaren, die het best hun werk verrichten, behoren toch te onderzoeken, opdat zij mogen toenemen in kennis, en zij moeten ook hun werk behartigen, zij moeten al hun aandacht geven aan het lezen, het vermanen en het leren.
5. Hij waarschuwt hem zich te wachten voor verzuim. Verzuim de gave niet die in u is, vers 14. De gave Gods zal verdwijnen indien ze verzuimd wordt. Men kan dit opvatten van den dienst waartoe hij geroepen was, en ook van de eigenschappen voor dien dienst. Het eerste was de aanstelling in den gewonen weg, het tweede was buitengewoon. Het schijnt dat het eerste bedoeld werd, want er wordt gesproken van de oplegging der handen, enz. Hier is de schriftuurlijke wijze van ordening: oplegging der handen des ouderlingschaps. Merk op: Timotheus was door mensen tot den dienst geordend. Elders lezen wij van een buitengewone gave, die hem geschonken was door oplegging der handen door Paulus, maar hij was in de bediening als dienaar gesteld door oplegging der handen van de ouderlingen.
A. Het werk der bediening is een gave, het is een gave van Christus. Toen Hij opvoer ten hemel heeft Hij gaven ontvangen voor de mensen, en Hij gaf sommigen tot apostelen, en sommigen tot herders en leraars, Efeze 4:8, 11. En dat was een zeer vriendelijke gave aan Zijne gemeente.
B. De dienaren mogen de gave, die hun geschonken is, niet verzuimen, hetzij wij hierdoor verstaan de gave der bediening zelf of de daarvoor nodige eigenschappen, zomin de ene als de andere mogen zij verzuimen.
C. Ofschoon er in het geval van Timotheus ene profetie was (de gave was hem door profetie geworden) toch was dat vergezeld door oplegging der handen des ouderlingschaps, dat is: de handen van een aantal ouderlingen, de dienst was hem in dien weg toevertrouwd. Naar ik meen is hier een voldoende waarborg voor ordening door ouderlingen, want het blijkt niet dat Paulus deel had aan de ordening van Timotheus. Het is waar, dat buitengewone gaven door hem verstrekt werden door oplegging der apostolische handen, 2 Timotheus 1:6, maar ook indien Paulus betrokken was in de ordening, toch waren de ouderlingen niet buitengesloten, want dat wordt uitdrukkelijk vermeld, zodat dit een sterk bewijs is dat het ouderlingschap een eigen macht tot ordening heeft.
6. Na hem dit alles te hebben opgedragen, zegt hij dat hij daarin geheel bezig moet zijn.
Bedenk deze dingen, wees daarin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. Hij was een wijs en kundig man, en toch moest hij dat aankweken, het moest openbaar worden dat hij toenam in kennis. Merk op:
A. Dienaren moeten dikwijls in overpeinzing zijn. Zij moeten goed overleggen wat en hoe zij spreken zullen. Zij moeten de grote zorg, die hun toevertrouwd is, overwegen, de waarde van de onsterfelijke zielen en de rekenschap, die zij eens zullen moeten afleggen.
B. Dienaren moeten in die dingen bezig zijn, zij moeten die dingen beschouwen als hun voornaamste werk. Bedenk die dingen en wees er in bezig. C. Daardoor zal hun toenemen in alles openbaar worden, voor alle mensen, dat is het middel voor hen om toe te nemen in kennis en genade en daardoor ook anderen ten zegen te zijn.
7. Hij vermaant hem om zeer voorzichtig te zijn. Heb acht op uzelven en op de leer. Let op wat gij verkondigt, volhardt daarin, in de waarheden die gij ontvangen hebt, want dat doende zult gij èn uzelven behouden èn die u horen. Merk op:
A. Dienaren zijn geroepen tot een werk der behoudenis, en dat is een goed werk.
B. De zorg van de dienaren moet in de eerste plaats zijn zich zelven te behouden. "Behoud in de eerste plaats uzelven, dan kunt gij het werktuig zijn om hen die u horen te behouden".
C. De dienaren moeten er naar staan door hun prediking, na hun eigen behoudenis, te behouden degenen die hen horen.
D. De beste weg om dat dubbele doel te bereiken is acht op ons zelven te hebben.