5. Die overwint, zodat het leven, in het geloof ontvangen, zich ook krachtig in zijn wandel betoont en met de wereld en eigen vlees dapper strijdt, die zal zoals degenen in
Vers 4 is beloofd, bekleed worden met witte kleren; en Ik zal Zijn naam als van een, die niet alleen de naam had, dat Hij leeft (
Vers 1), maar ook werkelijk leefde, geenszins uitdoen a) uit het boek des levens (
Psalm 69:29;
Jesaja 4:3.
Daniël 12:1) en Ik zal zijnen naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen, op die dag des oordeels (
Mattheus 10:32 v.
Lukas 12:8 v.).
a) Exodus 32:32 Filippenzen 4:3 Openbaring 0:12; 21:27
"De vertroosting is niet voor allen" maar alleen voor de oprechten, die nog onder u zijn. Maar hoewel de grote menigte niet deugt, u heeft enige weinige namen, dat is, mensen, die ieder hun eigen naam hebben, en die Ik bij name ken, ook te Sardis, in die goddeloze stad en in die bedorven kerk, die hun kleren rein hebben bewaard van de besmetting van de wereld en in oprechtheid Mij dienen. Aan deze wordt beloofd, zij zullen met Mij wandelen in witte kleren. De heiligen waren in het wit gekleed, de priesters dienden in witte kleren, waardoor de zuiverheid en heiligheid te kennen wordt gegeven. De edelen, die naar enig ambt stonden, ook die zegepraal bevochten hadden, werden in die tijden in het wit, als een erekleed, gekleed. Zo zal de Heere Jezus volmaakt heiligen en verheerlijken alle oprechten, omdat zij het waardig zijn, niet door hun aanklevende gerechtigheid en verdiensten, want in dat opzicht is de beste een nutteloze dienstknecht; maar God had hen van eeuwigheid uitverkoren tot zaligheid. Christus had de zaligheid voor hen verdiend, God had hen tot Zijn kinderen en erfgenamen aangenomen, en had hen op geloof en godzaligheid, de zaligheid beloofd, dus betaamde het God, hun die te geven en in die opzichten waren zij bekwame en gepaste voorwerpen voor de zaligheid en waardig en bekwaam die te ontvangen.
De namen worden in het boek des levens ingeschreven, of door God zelf, als wanneer zij om de onveranderlijkheid van Zijn raad en het zeker verband van verkiezing en heerlijkmaking nooit uitgedelgd worden (Johannes 6:37. 2 Timotheus 2:19 Openbaring 1:27), of van de mensen, als zij zelf belijden verkoren te zijn (Jeremia 44:5) en anderen dit naar de liefde van hen oordelen (Efeze 1:4 Filippenzen 4:4). Alhoewel zij nu op deze laatste wijze zijn ingeschreven, kunnen zij zeker uitgedaan worden en worden zij uitgedaan, terwijl God op de een of andere wijze verklaart, dat zij geen deelgenoten van het leven zijn of ooit zullen zijn. Geenszins zal dit de overwinnaar overkomen, maar hij zal als een uitverkorene erkend, in het leven hem vergund bewaard en de volheid daarvan hem namaals gegeven worden (Johannes 10:14, 28
Witte kleren, de zaligheid van de hemel zal ik hun schenken, omdat zij de verzoening van hun zonden gezocht en gevonden hebben in het bloed van het Lam en zich door de Geest van de genade zo hebben laten heiligen, dat zij hun kleren niet weer hebben bezoedeld. Zij zijn het rijk van God waardig geworden. Het is zeer merkwaardig, dat juist de beide gemeenten, die onder alle het diepst gezonken waren, geen Nikolaïeten onder zich telden, terwijl deze aanhang in het getrouwe Smyrna en het voortreffelijke Filadelfia gevonden werd. Een wegstervende boom schiet geen wilde takken meer uit, maar wel een zodanige, die nog in vol leven en rijk aan sappen is. Waar dwaalleer in een gemeente opgroeit, daar openbaart zich nog leven van de Geest, hoe ongeestelijk en onchristelijk dan dat leven ook moge zijn. De strijd van de gelovigen tegen haar wekt op, geeft een bijbel in de hand, doet het waar geloof bloeien, ontsteekt een barmhartige en reddende liefde als die van de Samaritaan, zodat ook menig afgedwaald schaap tot de kudde wordt teruggebracht. Maar waar een hele Kerk met leraren en gemeente in de dienst van de wereld weggezonken en onverschillig is over het Christendom, ja over alle godsdienst, daar is het gevaar groot en het vooruitzicht treurig, daar is de Heere nabij, als een dief, om van hem, die niet heeft, te nemen ook hetgeen hij nog heeft.
Naar het uitwendige was wellicht geen van de zeven gemeenten van Klein-Azië zo rijk aan uitstekende voorrechten. Aan de afhelling van de berg Tmolus, in een weelderige landstreek gelegen, zetel van de Perzische Satrapen, die er een schitterende hofhouding voerden, overvloeiend van al de schatten van de natuur en van de kunst, scheen Sardis een uitgelezen lustoord te zijn. Van de gemeente op die plaats gevestigd, gaat bovendien de meest roemrijke naam door al de omstreken uit. "Sardis leeft", zo klinkt het op honderden lippen, wij weten niet om wat bijzondere reden, maar waarschijnlijk wel omdat de gemeente aangroeide in aantal van leden, de naam had van nauwgezette godsdienstigheid en wellicht tot schouwtoneel strekte van buitengewone gaven en werkingen van de Heilige Geest, zoals dit het geval te Corinthiërs was. Nee, hier zijn geen Nikolaïeten of Bileamieten, als in Efeze en Pergamus; hier blaakt geen vuur van de vervolging, als in het deerniswaardige Smyrna; hier richt geen vrouw Izebel de onreine afgodstafel aan, zoals in het zwaarbevlekt Thyatire; hier is geen spanning, geen scheuring, geen strijd; gelukkig, leven- en liefdevol Sardis. "Sardis, u bent dood" zo klinkt op eenmaal de dreigende stem van de Christus, die de geesten wikt en aller werken kent. Ach, wat zegt het weinig voor de diep verbasterde schare, of haar naam en roem op de vleugels van de faam tot over de grenzen van Azië wordt heen gedragen? De Heere ziet met andere ogen, weegt met andere schalen, vraagt naar andere levenstekenen, dan de mens, die alleen wat voor ogen is aanziet. In Zijn schatting is Sardis arm, omdat het de ware rijkdom van het geloof, van de liefde, van de hoop niet kent; en met de roede in de hand komt Hij tot de hoog geprezen kerk, die wellicht een blinkende erekroon voor de slapen van haar Engel gewacht had. Wat baat het haar thans, of aan haar bergen de wijnstok liefelijk tiert? Ach, zij zelf verdient geen levende rank aan de ware Wijnstok te heten. Wat baat het, of midden door haar stad de beroemde Pactolus heen stroomt, die in haar bedding goudkorrels aanvoert? Ach, het blijkt dat de rivier van het levende water haar tot nog toe, als een woudstroom door het zand, is voorbij gevloeid en dat zij op haar bedding nog geen enkele schat voor de hemel gevonden hebben. Wat baat het, of Sardis kan tegenwerpen: Heere, wij zijn niet bevlekt met de werken van de Nikolaïeten, die U elders veroordeelt? Zo'n rust, als in haar midden gevonden wordt, strekt juist om haar meer te beschamen; het is de rust van de Godsakker, waar geen hamerslag van twist wordt gehoord, omdat er geen adem van het leven gevoeld wordt. Twist en verdeeldheid, hoe betreurenswaardig op zichzelf ook, getuigen nog altijd van zeker opgewekt leven: te Sardis is geen strijd meer over de waarheid, omdat men onverschillig voor de waarheid geworden is. Een wegstervende boom schiet geen wilde takken meer uit; dat gebeurt alleen aan een stam, die nog vol is van leven en rijk aan krachtige sappen. Zo staat Sardis daar voor het oog van de hemelse Planter, als een boom, zonder een enkel waterlot, ja, maar ook zonder groei en vrucht. Wat verdient hij eer en meer dan het vonnis: houw hem af, die nutteloos de aarde beslaat? Maar nee, dat kan de Heere niet van het liefdehart. Aan de dorrende takken heeft Hij enkele vruchten bespeurd, om wier wille Hij de boom nog wil sparen. Hier en daar ontdekt Hij nog een bottende knop, die zich wellicht zal ontsluiten voor de zonnestraal van de hemelse liefde. Wat is er meer nodig voor Jezus, die niet gekomen is om de ziel van de mensen te verderven, maar om die te behouden? Ja, voor Hem is Sardis aan een dode gelijk: maar "het uur komt en is nu, dat de doden zullen horen de stem van de Zoon van God en die haar hebben gehoord zullen leven. " Zoals Hij in de dagen van Zijn vlees het machtwoord weerklinken liet: "Jongeling, dochtertje, Ik zeg u, sta op! " zo raakt Hij hier als het ware de lijkbaar aan, waarop de geestelijk dode gemeente ligt uitgestrekt. Hij herhaalt zijn" Talitha kumi" in het ernstige woord: "wees wakend", liever "ontwaak en versterk het overige, dat sterven zou. " Temidden van al het dode en dorre bewaakt Hij de overgebleven sporen van een vroeger, meer opgewekt leven en wil dat de engel van de gemeente die met zorg en liefde zal kweken. Hoog nodig is het intussen, dat zo de kwijnende vonk weer wordt aangeblazen tot een heldere vlam, "want", zegt de Heere, "Ik heb uw werken niet vol, niet voldoende en niet volkomen gevonden voor God", of zoals wij eigenlijk lezen moeten, voor mijn God. " Voor het oog van de God en Vader, van wie Hij vertegenwoordigt en in Wiens naam Hij regeert, heeft Hij de werken van de gemeente op de balans van de hemel gewogen, helaas, juist dat éne ontbrak, dat daaraan alleen betekenis en waarde in Zijn schatting kon geven: het beginsel van het geloof, het leven van de liefde, de gloed van waarachtige ijver. Zo is de gemeente in een deerniswaardige, in een vege toestand gekomen. Maar voor wat ziekte van de ziel heeft de grote Medicijnmeester geen raad en geen baat? Nog is Sardis niet reddeloos verloren, als het naar de stem van de liefde wil luisteren: "Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord heeft en bewaar het en bekeer u! " De Heere wil, dat de gemeente zal terugzien op de vroegere, betere tijd, toen zij het pas het woord van de genade vernomen had en aanvankelijk uit de doodsslaap herrezen was, waarin zij nu lag gezonken. Zo zou er voor haar leden een nieuwe heildag, de dag van bekering en van zaligheid aanbreken, waarin zij voortaan als kinderen van het licht zouden wandelen. Maar werd die stem van de liefde versmaad, een ontzettende nacht stond te wachten, te ontzettender, omdat die onverwacht over het hoofd van de schuldigen dalen zou. "Als u niet waakt, spreekt de Heere, Ik zal over u komen als een dief en u zult niet weten, op welk uur Ik over u komen zal. " Zware oordelen en strafgerichten stonden de onbekeerlijken van hart te wachten en zoals de eigenaar van een onbeveiligde woning haar door de rover overvallen en alles plunderen ziet, zo zouden zij daar staan, aan onberekenbaar onheil ten prooi en opgeschrikt uit hun rampzalige rust, juist dan, wanneer het te laat zou wezen om iets, dat was verzuimd, te herstellen. Verbeeld u, als u kunt, de verbazing, die het schuldig Sardis moest aangrijpen bij dat onheilspellende woord! Dat was een andere toon, dan die door mensen werd aangeslagen, waar deze het roemden en prezen. Wat een verschil tussen de naam van de gemeente op aarde en tussen haar naam in de hemel! Hier levend als een krachtige man, daar dood genoemd en misvormd als een lijk; hier haar rijkdom aan goede werken geprezen, daar een onmetelijk tekort voor haar ogen ontrold en een ontzettende bankbreuk gedreigd; hier een dag haar voorspeld van vrede, rust en roem, daar een nacht haar gedreigd, waarin de dief haar schijngoed zal roven! Bijna zal aan de engel van de gemeente de moed zijn ontzonken, om voor het heil van een zo diep verbasterde kudde te waken; daar schiet een vriendelijke lichtstraal opeens tussen de dreigende wolken te voorschijn. "U heeft", zo gaat Jezus voort, "enige weinige namen, enige personen ook te Sardis, die hun kleren niet bevlekt hebben. " Mogen wij de scherpzinnige opvatting van een van de nieuwste uitleggers toelaten, dan wordt hier gezinspeeld op een Oosters gebruik, om schuldige priesters in zwarte kleren voor hun rechters te plaatsen en worden daartegenover de Christenen voorgesteld, als met het blinkend priestergewaad van vrijgesprokenen en onschuldigen aangegord. Niet moeilijk is het, ons het beeld van die gelovigen aanschouwelijk voor ogen te stellen. Ongetwijfeld hadden ook zij hun aandeel aan het algemeen bederf van de mensen-natuur. Maar door de kracht van het geloof was de heerschappij van de zonde verbroken. Zij waren een nieuw schepsel in Jezus Christus geworden; zij waren afgewassen, geheiligd, gerechtvaardigd door het bloed van Christus en door de Geest van onze God. Zo vernieuwd en herboren, bewaarden zij door waakzaamheid en strijd zich rein te midden van de verbasterde Kerk en lieten van dat verkeerd geslacht zich behouden. Wellicht waren zij juist die leden van de gemeente, die de minste eer en roem hadden bij de wereld daarbuiten, maar zoals de Heere met andere schalen weegt, zo plaatst Hij ook Zijn erekroon op andere hoofden, dan waarvoor zij de hare bestemt. "Deze zullen met Mij wandelen in witte kleren", zo belooft Hij, "zij zullen hemelse reinheid en vreugde en eer genieten, omdat zij het waardig zijn. " Heeft dit laatste bijvoegsel iets, dat u bevreemdt en vraagt u, wie kan waardig zijn, het erekleed van de hemel te dragen en hoe strookt dit eigen woord van de Heere met de doorgaande leer van de apostelen: uit genade bent u zalig geworden? U vergeet dan, dat hier gesproken wordt, niet van een waardigheid, die zij in zichzelf, maar alleen, die zij in gemeenschap met Christus bezaten; dat er naar de leer van het Evangelie een onafscheidelijk verband is tussen geloof en geluk; dat die hemelvreugd, niet naar verdienste als aan een slaaf, maar uit vrije goedheid als aan een kind wordt geschonken, dat de wil van de Vader getrouw en standvastig volbracht. En nu schemert u het oog bij de voorstelling van het heil, dat hier achter de opgeheven sluier van de eeuwigheid op eenmaal uw blikken verrast en u roept uit: Och, of mij iemand vleugels gaf als van een duif, om mij tot dat schoon verschiet te verheffen! Zie, de Heere daalt vriendelijk tot uw zwakheden af en schetst als met eigen hand een tafereel van onverderfelijk, hemels geluk. "Die overwint", zo vervolgt Hij, "zal bekleed worden met witte kleren", zoals aan de overwinnaars in het Oosterse worstelperk niet zelden uitgereikt werden, en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens; hij heeft geen oordeel te duchten; de zaligheid is zeker van wie in het geloof volhardt; eeuwig blijft zijn naam in de levensrol staan, waarin zij vóór de grondlegging van de wereld geschreven werd, ja Ik zal die naam belijden voor het aangezicht van Mijn Vader en van Zijn engelen. " U herinnert u meteen, hoe hier met andere woorden een verklaring terugkeert, die de Heere gedurende de dagen van Zijn vlees bij herhaling tot Zijn getrouwen gericht heeft, zoals het over het algemeen uw opmerkzaamheid niet mag ontgaan, dat geen van deze zeven brieven zo betrekkelijk rijk is aan overeenkomst met de eigen woorden van de Heere, in Zijn eerste leven gesproken, als juist dit schrijven aan Sardis. Maar u mag tegelijk niet voorbijzien, hoe dit besluit een merkwaardige tegenstelling bevat tegen het beschamend begin van de brief. Wat heeft Sardis tot nog toe gehad, gewaardeerd, maar zonder reden genoten? Een naam, boven al de andere namen aan één van de gemeenten gegeven, de naam van rijk aan geestelijk leven te zijn. Het was onwaarheid en leugen geweest, maar Sardis bekeert zich en het zal in de hemel weer ontvangen, wat het door deze brief voortaan op aarde verliest. Een naam, van levenden niet alleen, maar van gekroonde overwinnaars, door Jezus zelf gegeven; een roem, die nog flonkeren zal, ofschoon het licht van de laatste ster reeds lang aan de weggerolde hemel getaand is. Hier wenste ik een enkel ogenblik de adelaarsvlucht van Johannes, toen hij op Patmos een deur geopend zag, om hem te tonen de dingen, die haast zouden geschieden! Ja, echt, daar ontsluit zich de deur van dat heiligdom; een lichtstraal daalt neer op aarde en bij dat licht wat aanschouwt u, oog van het geloof? Ik zie de hemelen geopend en Jezus, Jezus, die hier naakt aan het kruis hing te krimpen, terwijl Zijn gewaad onder Zijn eigen oog werd verdeeld, Jezus in witte kleren uitgedost. De glans benevelt mijn oog, maar waar ik langer staar, nee, ik vind de Heere niet alleen, een schare volgt Hem, met even witte gewaden bekleed. Reinheid blinkt uit hun oog; vreugde straalt mij van hun aangezicht tegen; eer verwacht hen, boven al wat de aarde zo noemt. Zie, daar wordt het levensboek opengerold en aller naam wordt gelezen en het blijkt dat geen enkele er uit weggedaan is. Hoor, daar klinkt hun deemoedige taal: "Heere, wij zijn de grootste van de zondaren" nee, hoor, daar belijdt hen de Heere voor Zijn Vader en de engelen: "deze zijn Mijn broeders en zusters en moeder; zij hadden de moed om Mij te eren, toen Mij de wereld versmaadde; nu zal Ik hen kronen, nu de wereld voorbijgegaan is. " Uit hun verrukking ontwaakt, zien zij nu Zijn heerlijkheid en de mannen, die bij Hem staan, zoals eens Zijn getrouwen op Thabor. Nee, hier is meer dan Thabor, want allen zijn met Jezus van gedaante veranderd geworden en uit de hoogwaardige heerlijkheid klinkt nu nog eenmaal de hemelstem, om het woord van de Vader te herhalen: "Deze zijn Mijn zonen en dochters, in wie Ik een welbehagen heb! " Die gekroonden wie zijn ze en van waar zijn zij gekomen? Het zijn de witbekleden uit Sardis; de eerstelingen uit iedere gemeente op aarde; uw ontslapenen wellicht, als zij in de Heere zijn gestorven; u ongetwijfeld, lijdende en strijdende Christenen onder ons, als u tot de einde volhardt. Hen allen maar ook dezen alléén geldt het woord: "zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waardig zijn. " Hoe, zegt u nog eens, wie van onze kan waardig zijn, dat zijn naam niet uit het boek des levens zekert wordt? " Wie van onze het waardig is, de Heere, die ons nog hetzelfde uitzicht ontsluit, heeft ook deze vraag ons beantwoord. Hij wordt waardig geacht, die eeuw te beërven, die het hier zichzelf onwaardig gekeurd heeft en tot Christus als Verlosser gekomen is, eer hij Hem als Rechter aanschouwt. Ja, daartoe laat Hij heden ons wijzen op de lofspraak, die Hij daar Zijn getrouwen doet horen en de eer, die Hij Zijn getrouwen bereidt, opdat Hij al wat onder ons nog naamchristen heet, aan zijn sluimer ontrukt, aan zichzelf ontdekt, tot heilige jaloersheid ontvlammen zou. Hij trekt onder ons nog dezelfde grenslijn als te Sardis, tussen Christendom in schijn en in wezen en weet van ieder van onze, hoofd voor hoofd, wie wij zijn. Maar aan welke kant wij ook staan, Hij gaat niemand met de wekstem ten strijde en het aanbod van de kroon voorbij. O, als u het dan heden gevoeld heeft, dat u tot nog toe uw beste tijd als in sluimering doorgebracht heeft; als heden uw hart u zegt, dat het u niet goed zou wezen, als nu de nacht reeds begon dank Hem, die nog niet als dief in de nacht, maar als vriend op de dag tot u komt! Stoot elke slaapdrank terug, die de wereld bij vernieuwing u reikt, om nu eens echt wakker te zijn en God geve het, wakker te blijven! Smeek in de eenzaamheid op de knieën gebogen, dat Hij, die het dode levend maakt, ook op u de Geest van het leven doet dalen, die de duisternis in licht en de dorheid in groei herschept! Herlees daar de Brief van de Heere aan Sardis, als een hemelschrift, persoonlijk tot u door Jezus gericht en weeg ieder woord, dat Hij spreekt; want weet het wèl ieder woord, dat hier wordt versmaad, zal eenmaal uw aanklager zijn. Schud in Zijn kracht de boeien van de slaap van de leden: zondekluisters, hier ten einde gedragen, worden banden van de afgrond daarginds. Vermeerder zo het getal van de verlosten, die geen smet op hun priesterkleed dulden en wandelt waardig het Evangelie van Christus, als opgeschrevenen in de boekrol van het leven! Laat het nieuwe leven, dat de Heere in u wekte, van u uitstromen in een nog slapende, van Hem afvallige wereld! Nog een tijdje en Hij, voor van wie u als voor een dief niet meer vreest, zal in de doodsnacht als Bruidegom komen. Bid, dat u de slaap niet bevangt; zie toe, dat uw lampen niet uitgaan! De levensdag spoedt ten avond. De nacht van de dood gaat als die van de zonde voorbij. Welhaast daagt de eeuwige morgen!
Harmonisch paren en beantwoorden en doorkruisen elkaar ook hier beelden en denkbeelden onophoudelijk. De vermaning: wees wakend, onmiddellijk na de bestraffing: u heeft de naam dat u leeft en u bent dood, stelt de nauwe betrekking in het licht, die er is tussen leven en waken bij de belijder van de Heere. Hierop slaat even eigenaardig de reeds elders toegedichte vergelijking van de komst van de Heere met die van een dief in de nacht. Met het denkbeeld van nacht stemt dan weer overeen dat van ongekleed te zijn. Daartegenover staat zowel de lof van hen, die hun kleren bewaard en niet bevlekt hebben (Vers 4) als de belofte van bekleding met witte kleren, (Vers 5) het zinnebeeld van de rechtvaardiging van de zondaars vanouds. De betrekking tot de plaats van Zacharia (Zacharia 3:4) loopt in het oog: "Doe deze vuile (bevlekte) kleren van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen en Ik zal u wisselkleren aan doen. " Tegenover de zuivere naam van leven (vers 1) staat vervolgens (Vers 5) het "niet uitdoen van de naam van de overwinnaar uit het boek des levens; " tegenover het niet vol gevonden worden van sommiger werken voor God staat het belijden voor de Vader en voor Zijn engelen, als uit het Evangelie welbekende vergelding van dat grondbeginsel aller welbehaaglijke werken voor God, te weten het belijden, met woord en daad van de Zoon van God voor de mensen (Mattheus 10:32).