13. Toen zei hij, de Engel (
Vers 1)tot mij: De kameren van het noorden, en de kameren van het zuiden, die voor aan de afgesnedene plaats zijn, dat zijn heilige kameren, waarin de priesters, die tot den HEERE naderen, de allerheiligste dingen zullen eten; aldaar zullen zij de allerheiligste dingen, wat de offeranden als de allerheiligste is aangewezen (
Leviticus 2:3,
10 en 6:16, 7:6 v. 19:12), henen leggen, en (namelijk) het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, om het daar neer te leggen totdat het bereid is voor het gebruik; want de plaats, de gehele lokaliteit dezer kamers, is heilig.