Jesaja 61:10-11
Sommigen zien hierin een lied van lof en prijs door de profeet gezongen in naam van Jeruzalem, waarbij zij geluk gewenst wordt met de heerlijke verandering in haar omstandigheden door de vervulling van de voorgaande beloften. Anderen menen dat dit gesproken wordt door Christus in de naam van de Nieuw Testamentische kerk, die in de genade des Evangelies zegeviert. Wij mogen het beide aannemen het eerste als type van het laatste. Hier wordt ons geleerd ons met heilige vreugde te verheugen tot Gods eer.
I. In de aanvang van dit goede werk de bekleding van de kerk met gerechtigheid en heil, vers 10. Daarover ben ik zeer vrolijk in de Heere. Zij, die vrolijk zijn in God, hebben reden om zich grotelijks te verheugen, en wij behoeven geen vrees te koesteren dat wij in uitersten zullen vervallen in de omvang van onze vreugde, wanneer God het voorwerp van onze blijdschap is. Het eerste Evangelische lied begon met de woorden: "Mijn ziel maakt groot de Heere en man geest verheugt zich in God mijn Zaligmaker", Lukas 1:46, 47. Er is veel reden voor deze vreugde, en alle reden ter wereld wanneer zij zich bij God bepaalt, want heil en gerechtigheid zijn gewerkt en aangebracht, en de kerk is er mee bekleed. Het heil dat God wrocht voor de Joden, en Zijn gerechtigheid waarin Hij voor hen verscheen en de hervorming, die onder hen tot stand kwam, deden hen in de ogen van alle verstandigen zo heerlijk zijn alsof de kerk gekleed was in staatsieklederen en versierd met bruidstooi. Christus heeft Zijn kerk bekleed met een eeuwig heil door haar te bekleden met de gerechtigheid beide van rechtvaardigmaking en van heiligmaking. "Het fijne lijnwaad is de rechtvaardigheid van de heiligen," Openbaring 19:8. Merk nu op hoe deze beide bij elkaar gevoegd zijn, zij en zij alleen, zullen bekleed worden met de klederen des heirs hiernamaals, die hier bedekt zijn met de mantel van de gerechtigheid, en deze samen vormen een rijke en schitterende kleding gelijk de priesterkleding (want die wordt door het woord aangeduid) waarmee de bruidegom zich kleedt. De schittering van de zijne wordt er mee vergeleken, Psalm 19:5. "En die is als een bruidegom, die geheel gereed zijn vertrek verlaat". Zodanig is de schoonheid van Gods genade in hen, die bekleed zijn met de klederen van de gerechtigheid, in hen die door de gerechtigheid van Christus aannemelijk zich gemaakt voor Gods gunst en in welke door de heiligmaking des Geestes Gods beeld vernieuwd is. Zij zijn getooid als een bruid om aan God gehuwd te worden en in verbond met Hem opgenomen te worden. Zij zijn als priesters gekleed om door God gebruikt te worden en met Hem in gemeenschap te komen.
2. In de voortgang en de bestendigheid van dat goede werk, vers 11. Het is niet gelijk een dag van zegepraal, die korte tijd schitterend is, maar dan voor goed voorbijgaat. Neen, de gerechtigheid en het heil waarmee de kerk bekleed is, zijn een duurzame kleding, dat wordt ook gezegd in Hoofdstuk 23:18. De kerk, die zich verblijdt over de gerechtigheid en het heil, waarmee Christus Jezus haar bekleed heeft, verheugt zich in het denkbeeld dat deze onschatbare zegeningen tot in eeuwigheid blijven zullen.
a. Zij zullen in de toekomende eeuwen uitspruiten gelijk de vruchten van de aarde, die telken jare, van geslacht tot geslacht, voortgebracht worden. Gelijk de aarde, zelfs die welke onbewerkt ligt, haar spruit voortbrengt, het tedere gras bij de terugkomst des jaars, en gelijk de hof hetgeen in hem is gezaaid doet uitspruiten, zo geregeld, zo voortdurend, zo krachtig en met zoveel voordeel voor allen, zal de Heere God gerechtigheid en lof doen uitspruiten, door kracht van het verbond van de genade, gelijk in de vroegere tijdlezing door het verbond van de voorzienigheid. Zie welke de beloofde zegeningen zijn: gerechtigheid en lof (want zij die met de klederen van de gerechtigheid bekleed zijn, verkondigen de lof van Hem, die hen bekleed heeft.) Deze zullen uitspruiten onder de invloed van de dauw van de goddelijke genade. Ofschoon het soms voor de kerk winter kan zijn, wanneer deze zegeningen schijnbaar wegsterven en niet te voorschijn komen, is toch de wortel goed gevestigd, er zal een lente komen wanneer zij door de levenwekkende stralen van de zon van de gerechtigheid opnieuw zullen bloeien.
b. Zij zullen zich wild uitspreiden, en uitspreiden over alle volken, de grote verlossing zal bekend gemaakt en afgekondigd worden over de gehele wereld en alle einden van de aarde zullen haar zien.