Colossenzen 3:8-11
Evenals wij geroepen zijn onbehoorlijke hartstochten te doden, evenzo moeten wij de fijnere zonden afleggen. Maar nu legt ook gij dit alles af: gramschap, toornigheid, kwaadheid, vers 8, want die zijn het tegenovergestelde van hetgeen het Evangelie bedoelt, evenals de grovere zonden. En ofschoon zij meer geestelijke boosheid zijn, hebben ze niet minder kwaad in zich. De godsdienst van het Evangelie veroorzaakt een verandering van de hogere, zowel als van de lagere vermogens der ziel en ondersteunt het gezag van rede en geweten over lusten en hartstochten. Gramschap en toornigheid zijn slecht, maar kwaadheid is erger, want die schiet dieper wortel, zij is toornigheid, die zich vastgezet en geworteld heeft. En gelijk de verkeerde beginselen uit het hart weggedaan moeten worden, zo moet ook de tong gezuiverd van hetgeen zij voortbrengen: lastering, hier bedoeld niet zozeer als lasteren van God dan van de mensen, slechte geruchten over hen voortbrengen en hun goeden naam door boze listen benadelen, vuil spreken uit uw mond, dat is: alle zedeloze en lage gesprekken, welke voortkomen uit een bezoedelde ziel in den spreker en met dezelfde onreinheid de hoorders besmetten, en liegen.
Liegt niet tegen elkaar, want dat is het tegenovergestelde van de wet der waarheid zowel als van de wet der liefde, het is tegelijk onrechtvaardig en onvriendelijk, en heeft als natuurlijk gevolg de vernietiging van alle geloof en vriendschap onder de mensen. Het liegen maakt ons aan den duivel gelijk, want hij is de vader der leugen, en het is een voornaam deel van het beeld des duivels in onze ziel. En daarom worden wij tegen deze zonde gewaarschuwd met de algemene reden: dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijne werken, en aangedaan hebt den nieuwen mens, vers 9, 10. De overweging, dat wij door onze belijdenis de zonde afgelegd en de zaak van Christus aangenomen hebben, dat wij alle zonden vaarwel gezegd en ons aan Christus verbonden hebben, moet ons tegen de zonde van het liegen versterken. Zij, die den ouden mens uitgedaan hebben, deden daardoor ook zijne werken uit, en die den nieuwen mens aandoen, moeten daarmee ook diens werken aandoen, niet alleen goede beginselen aannemen, maar daar ook uit handelen in een goeden wandel. Van den nieuwen mens wordt gezegd, dat hij vernieuwd wordt tot kennis, omdat een onwetende ziel geen goede ziel kan zijn. Zonder kennis kan het hart niet goed zijn, Spreuken 19:2. De genade van God werkt op den wil en de genegenheden door vernieuwing van het verstand. Licht is het eerste in de nieuwe schepping evenals in de eerste schepping. Naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft. Het was de eer des mensen in den staat der onschuld, dat hij geschapen was naar het beeld Gods, maar dat beeld werd verwoest en verloren door de zonde, en wordt nu vernieuwd door heiligende genade, zodat een vernieuwde mens is gelijk Adam ten dage van zijn schepping. In dit voorrecht en deze roeping van heiligmaking is niet Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, vers 11. Er is geen onderscheid, ontstaande uit verschillende landstreek, verschillende omstandigheden of voorwaarden des levens, het is zowel voor den een als voor den ander plicht heilig te zijn, en zowel de een als de ander ontvangt het voorrecht van Gods genade om het te zijn. Christus kwam om alle muren des afscheidsels af te breken. opdat allen voor God op dezelfde hoogte zouden staan, in voorrechten zo goed als in roeping. En dat omdat Christus is alles in allen. Christus is des Christens alles, zijn enige Heer en Zaligmaker, en al zijn hoop en geluk. En voor allen die geheiligd zijn, den een zowel als den ander, wat zij ook overigens zijn mogen, is Hij alles in allen, de Alfa en de Omega, het begin en het einde, alles in alle dingen.