Markus 3:13-21
In deze verzen hebben wij:
I. Christus' verkiezing van de twaalf apostelen om Zijne volgelingen en voortdurende metgezellen te zijn en om, naar de gelegenheid zich voordeed, uitgezonden te w orden om het Evangelie te prediken. Merk op:
1. De inleiding tot deze roeping of bevordering tot discipelen. Hij klom op een berg, en wat Hij daar te doen had was te bidden. Leraren moeten met plechtig gebed afgezonderd worden, het gebed, dat de Heilige Geest over hen moge uitgestort worden. Hoewel Christus macht had om de gaven des Heiligen Geestes te schenken, geeft Hij ons toch het voorbeeld om er om te bidden.
2. Den regel, dien Hij volgde bij deze keuze, en die was Zijn eigen welbehagen. Hij riep tot zich die Hij wilde. Niet de zodanige, die wij het geschiktst geacht zouden hebben om geroepen te worden, de gestalte aanziende en de hoogte hunner statuur, maar de zodanige, die Hij geschikt achtte om geroepen te worden, en besloten had geschikt te maken voor den dienst, waartoe Hij hen riep, ja, gezegende Jezus, alzo is geweest het welbehagen voor U. Christus roept wie Hij wil, want Hij is vrijmachtig.
3. De krachtige uitwerking dier roeping. Hij riep hen om zich af te zonderen van de schare en bij Hem te zijn, en zij kwamen tot Hem. Christus roept hen, die Hem gegeven zijn, Johannes 17:6, en al wat Hem de Vader geeft zal tot Hem komen, Johannes 6:37. Die Hij wilde roepen, heeft Hij gewillig gemaakt om te komen, Zijn volk zal gewillig zijn ten dage Zijner heirkracht. Zij zijn wellicht bereidwillig genoeg tot Hem gekomen, omdat zij verwachtten met Hem te zullen heersen in wereldlijke praal en macht, maar toen zij later hieromtrent uit de dwaling geholpen waren, was hun toch zulk een vooruitzicht op betere dingen geschonken, dat zij niet zouden zeggen dat zij zich in hun Meester bedrogen vonden, of er berouw van hadden, dat zij Hem waren gevolgd.
4. Het doel dezer roeping. Hij stelde (of ordineerde) hen- waarschijnlijk door oplegging der handen, hetgeen een onder de Joden gebruikelijke plechtigheid was-opdat zij met Hem zouden zijn, getuigen zouden zijn van Zijne leer, zijne levenswijze en zijn geduld, dit alles volkomen zouden kennen, en instaat zouden zijn om er bericht van te geven, en inzonderheid, opdat zij de waarheid zouden getuigen van Zijne wonderen. Zij moeten met Hem zijn om instructies van Hem te ontvangen, en instaat en bevoegd worden om instructies te geven aan anderen. Er zal tijd nodig zijn om hen bekwaam te maken voor hetgeen, waartoe Hij hen bestemd heeft, want zij moeten uitgezonden worden om te prediken. Zij moeten niet prediken voordat zij worden gezonden, en zij moeten niet gezonden worden, voordat zij door een langdurigen en vertrouwelijken omgang met Christus er toe geschikt zijn gemaakt. Christus dienstknechten moeten veel met Hem zijn.
5. De macht, die Hij hun verleende om wonderen te doen, en hiermede heeft Hij hun een zeer grote eer aangedaan, veel groter dan die van de groten der aarde. Hij stelde hen aan om krankheden te genezen en duivelen uit te werpen. Dit toonde dat de macht, die Christus had om deze wonderen te werken, een oorspronkelijke macht was, dat Hij haar niet had als een dienstknecht, maar als de Zoon in Zijn eigen huis, daar Hij haar aan anderen kon verlenen en er hen mede kon bekleden. Er is een rechtsregel volgens welken hij, die zelf slechts een afgevaardigde is, geen ander kan afvaardigen, maar onze Heere Jezus heeft leven gehad in zich zelven. Hij heeft den Geest gehad zonder mate, want Hij kon die macht zelfs aan het zwakke en dwaze dezer wereld geven.
6. Hun aantal en hun namen. Hij stelde er twaalf, naar het getal van de twaalf stammen Israël's. Zij worden hier niet in dezelfde volgorde genoemd als in Mattheus, en ook niet paarsgewijze, maar hier, evenals daar, wordt Petrus het eerst en Judas het laatst genoemd. Hier gaat Mattheus voor Thomas, waarschijnlijk naar die volgorde geroepen zijnde, maar in de lijst door Mattheus zelf opgemaakt, stelt hij zich na Thomas, zo ver was hij er vandaan om op den voorrang zijner roeping te staan. Maar hetgeen, waarvan Markus alleen nota neemt in deze lijst der apostelen, is dat Christus Jakobus en Johannes Boanerges genoemd heeft, dat is: Zonen des donders. Wellicht hebben zij zich onderscheiden door een luide, gebiedende stem, waren zij donderende predikers. Of wel, het duidde hun ijver en vurigheid van geest aan, die hen werkzamer voor God zou doen zijn dan hun broederen. Deze twee zullen zeer bijzonder uitnemende bedienaars zijn van het Evangelie, dat genoemd wordt ene stem, die de aarde bewoog, Hebreeën 12:26. Toch was Johannes, een van deze zonen des donders, vol van tederheid en liefde, gelijk blijkt uit zijne brieven, en hij was de discipel, dien Jezus liefhad.
7. Hun afzondering met hun Meester, en hun trouw aankleven van Hem. Zij kwamen in huis. Nu deze jury benoemd is, blijven zij bij elkaar. Zij gingen tezamen in huis om de orde van hun pas- opgericht college te regelen, nu werd waarschijnlijk aan Judas de beurs gegeven, hetgeen aan dezen zeer behaagde.
II. De scharen, die Christus' bewegingen steeds bleven volgen, vers 20. Daar vergaderde wederom ene schare. Er is niet om hen gezonden, en ontijdig en te onpas dringen zij door tot Christus, de een voor dit, de ander voor wat anders, zodat Hij en Zijne discipelen niet eens den tijd hadden om brood te eten, veel minder om een geregelden maaltijd te hebben. Toch heeft Hij Zijne deur niet gesloten voor deze smekelingen, maar heette Hij hen welkom, gaf Hij aan ieder hunner een vriendelijk woord. Zij, wier hart verruimd is in het werk Gods, kunnen licht het een of ander ongerief dragen, om met dit werk voort te kunnen gaan, en veel liever zullen zij een maaltijd verliezen dan de gelegenheid voorbij te laten gaan om goed te doen. Het is heerlijk, als ijverige hoorders en ijverige predikers elkaar aldus ontmoeten en wederkerig bemoedigen. Nu wordt het koninkrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve, Lukas 16:16. Dit was ene gelegenheid, waarvan zoveel mogelijk gebruik gemaakt moest worden, en daarvoor konden de discipelen wel hun maaltijd uitstellen. Het is goed om het ijzer te smeden terwijl het heet is.
III. De bezorgdheid Zijner bloedverwanten om Hem, vers 21. Als degenen, die Hem bestonden, in Kapernaum, hoorden hoe Hij gevolgd werd, en hoeveel moeite Hij zich gaf, gingen zij uit om Hem vast te houden, want zij zeiden: Hij is buiten Zijne zinnen.
1. Sommigen verstaan dit van een dwaze bezorgdheid, waarin meer minachting dan eerbied gelegen was, en zo moeten wij het op- vatten als wij lezen: Hij is buiten Zijne zinnen, hetzij dat zij dit zelf vermoedden, of dat anderen dit denkbeeld opperden en zij er geloof aan sloegen, en dat daarom Zijne vrienden Hem behoorden vast te houden en in een donker vertrek te plaatsen, om Hem weer tot zich zelven te laten komen. Velen van Zijne bloedverwanten koesterden geringe gedachten omtrent Hem, Johannes 7:5, en wilden wel gehoor geven aan die verkeerde uitlegging van Zijn ijver, om dus tot de gevolgtrekking te komen, dat Zijne geestvermogens gekrenkt waren en zij Hem van Zijn arbeid moesten wegnemen. De profeten werden onzinnigen genoemd. 2 Koningen 9:11.
2. Anderen vatten het op als een welmenende zorg, en dan lezen zij: exestê, Hij bezwijkt. Hij heeft geen tijd om brood te eten, en dus zullen de krachten Hem begeven. Hij zal verdrongen, gesmoord worden door de volksmenigte en door dat voortdurend spreken zal zijn geest uitgeput raken, evenals ook de kracht, die van Hem uitgaat in Zijne wonderen. Laat ons dus vriendelijk geweld met Hem gebruiken, om Hem zodoende tijd tot verademing te geven, In zijn werk der prediking, zowel als in Zijn werk van lijden, werd Hij aangevallen met het: Meester, wees U genadig. Zij, die met kracht en ijver het werk Gods doen, moeten hinderpalen verwachten op hun weg, opgeworpen door de ongegronde misnoegdheid der vijanden, zowel als door de verkeerd toegepaste genegenheid hunner vrienden, en het is hun zeer nodig om tegen beiden op hun hoede te zijn.