7. Daarom, zo zegt de Heere HEERE, deze bedreiging met enen eed bekrachtigende: Ik heb Mijne hand opgeheven en zweer (
Hoofdstuk 20:5): zo niet de Heidenen, die rondom u zijn, zelven hun schande zullen dragen!
Van Edom wendt de Profeet zijn aangezicht tot de bergen van Israël, gelijk hij, in verlangen naar zijn vaderland ziende, altijd gaarne tot de oude hoogten der belofte van Goddelijken zegen spreekt. Zijne rede is door een sterken ijver bewogen, terwijl hij niet genoeg kan herhalen, dat hij het woord Gods verkondigt. De Edomieten en de andere volken, die ene snode verachting toonden en in dwazen waan hebben geuit, dat de eeuwige hoogten hun als ene erfenis waren ten deel gevallen, moet dit woord van het toppunt hunner trotse zelfverblinding nederstorten. Bergen en heuvels, dalen en afgronden, en de woeste puinhopen dor verlatene steden, welke in woede zijn bestreden en buit gemaakt door de andere hen omringende volken, moeten nu den plechtigen eed des Heeren vernemen, dat over deze nu de smaad zal komen, welken Israël gedragen heeft. De "bergen Israëls" zijn voor het land wat de hoofden van Israëls stammen zijn voor het volk; zij zijn als het ware de oudste, de eerwaardigste vaderen des lands, wien het woord Gods verkondigd wordt, dat het ganse land aangaat.
De "eeuwige hoogten" zijn de natuurlijke bergen als beeld der onveranderlijke hoogheid waarop Israël zich beroemde, daar het den Eeuwige tot zijnen Beschermer had, en in Hem den waarborg van zijne eigene eeuwigheid (Psalm 125:2). De woorden moeten gedacht worden als voorzien van aanhalingstekenen; de spotters ontlenen ze aan den mond van Israël, dat tegenover al hun pretenties en pralerijen zijne "eeuwige bergen" overstelde.
Bij de beschouwing der onwaardige tegenstanders wordt Ezechiël door een ongewoon vuur aangegrepen, zodat hij na de korte mededeling Vers 2 het "daarom" bij ieder vers herhaalt, dewijl steeds opnieuw de redenen tegen deze vijanden zich op den voorgrond drongen, voordat de rede rustiger bij de bergen Israëls blijft, van welke zij eigenlijk wilde handelen.
Als motief voor de zegeningen, welke God aan Israël wil geven (Vers 8), wordt het door Edom hem aangedane onrecht genoemd. Omdat Edom zoveel leed over Israël heeft gebracht, daarom moet Israël tot schadeloosstelling van zich zelven, en tot meerdere bestraffing en beschaming van Edom het goede van den Heere ontvangen. Daarom worden ook alle de verwijten, in Hoofdstuk 35 den berg Seïr gemaakt, hier gerecapituleerd. Omdat Edom heeft gejubeld als ware het verwoeste heilige land nu in zijne macht geraakt (Vers 2), omdat Edom verdrukking en lastering over Israël heeft gebracht (vs 3), omdat Edom het heilige land ten buit en tot spot heeft gemaakt (Vers 4), omdat Edom zijn leedvermaak, vijandschap, hebzucht aan Israël heeft bevredigd (Vers 5), omdat Israël dit alles gedragen heeft (Vers 6), daarom moet Edom een oordeel (Vers 7) en Israël een zegen (Vers 8) van den Heere ontvangen. Daarbij wordt van Edom als de bijzondere type der Gode vijandige mensheid voortgegaan tot de Heidenen in `t algemeen en het aan Edom gedreigde gericht uitdrukkelijk ook tot deze uitgebreid.
Onmogelijk kan de straf des Heeren ene eenzijdige zijn; zij kan te minder Israël alleen treffen, daar juist bij zijne bestraffing het diep weggezonken zijn van het Heidendom, zijn afkeer van God, zijne verblinding en zijn overmoed op het treffendst gebleken zijn. Nevens de "overige Heidenen" wordt steeds weer Edom in `t bijzonder op den voorgrond gesteld als het toppunt van de vijandige verhouding tot de theokratie. Edom vormt hiertegen de sterkste tegenstelling, en is in dat opzicht voornamelijk het karakteristieke volk.
God denkt met medelijden aan den tegenwoordigen beklagenswaardigen toestand van het land Israël.
Zonder twijfel hebben wij daartoe ook de vele gruwelen te rekenen, welke bijv. op de plaats der geboorte en op de grafplaats van Christus door de Christenen worden bedreven, die daardoor het heilige land tot ene smaadheid maken, en het verwoesten en plunderen. Op Paasch-Zaterdag, des middags ten 1 uur, zo verhaalt Troïlo, verzamelden zich Grieken, Armeniërs enz. 2-3. 000 Christenen, in de kerk van het heilige graf (Mattheus 21:11); ieder had een bos waskaarsen, alle lichten werden in de kerk uitgedaan. Toen de Griekse patriarch en Armenische bisschop met de overige geestelijken kwamen, begon het volk om het heilige graf te lopen. Anderen kropen op den steen rondom het graf rond, soms meer dan honderd achter elkaar, en vermoeiden zich zo zeer, dat hun het zweet van het aangezicht afliep; weer anderen klommen op de schouders hunner kameraden. Tussenbeide valt het volk op de knieën, zij heffen dan het hoofd met verdraaide ogen in de hoogte, heffen de handen met de kaarsen op naar den hemel, en schreeuwden jammerlijk, dat het vuur toch spoedig van den hemel moge vallen. Dan staan zij weer op, lopen met groot geschreeuw om het heilige graf alsof zij allen onzinnig waren (1 Koningen 18:26), vallen soms over elkaar op de aarde, dat het geen wonder zou zijn, zo zij elkaar geheel en al in een drukten, soms trekken zij ook hun klederen uit, om daarmee het vuur naar beneden te lokken. Dit goochelspel duurt ten minste twee grote uren. Vele honderden Turken komen met hun kinderen om tot vermaak toe te zien en over zulke dwaasheden overluid te lachen. De Griekse patriarch en de Armenische bisschop komen vervolgens uit de sakristy en gaan met enige Griekse geestelijken in het heilige graf, de deur wordt achter hen toegemaakt; zij houden zich nu, alsof zij daarbinnen baden, zij hebben echter middelen bij zich om vuur te maken en steken een licht op. Daaraan steekt de patriarch zijne kaarsen op en de lampen van het heilige graf; daarop wordt de deur geopend, en de patriarch komt er uit evenals een furie uit de hel met uitgestrekte hand, waarin hij een groten bos brandende lichten heeft. Zodra nu het volk het licht ziet, begint het te schreeuwen, allen heffen de handen met hun kaarsen op, en dringen met zulk een geweld op den patriarch aan, dat het geen wonder zou zijn, als zij hem dood drukten. Ieder wil toch zijne kaars het eerst aan die van den patriarch aansteken, daar zij menen, dat het van den hemel is nedergedaald, en hij de allerzaligste mens op aarde is, die zijn licht het eerst aan dat van den patriarch aansteekt, wanneer hij uit het graf komt, zodat hij niet zon kunnen verdoemd worden. In het jaar 1750 betaalde een Armeniër het eerste heilige vuur met 50. 000 zechinen. Er is geen houden of weren aan; de patriarch is dikwijls genoeg in gevaar van verdrukt te worden; hij wordt in de hoogte geheven, zodat hij boven op de hoofden des volks komt te liggen, zijn bisschoppelijk sieraad wordt hem van `t lijf gerukt, soms ook in de verwarring zijn baard verbrand, waarover de toeziende Turken hartelijk lachen. Met het vuur branden de mensen kruisen op linnen, dat hun tot doodhemden moet dienen; dat, zo denken zij, reinigt de ziel van alle zonden. Ten laatste ziet men niets den verbrande baarden, gestoten hoofden, verscheurde klederen en blauw geslagen ogen, bekrabde gezichten, gebroken armen. Men hoort niets den een verward en op afschuwelijke wijze uitgestoten geschreeuw, en wanneer nu het leven bedaard is, dan wordt er op eens van de kerk ene herberg. Delle Balle zegt, dat het volk bij deze gelegenheid dingen doet, welke meer in de komedie voor het beschonkene, dan wel in de kerk voor verootmoedigde mensen passen, en Fisk, nadat hij na zulk een vuurtoneel, verstoord en vol afkeer over zulke goddeloze zaken heengegaan was, bericht van zich en zijne metgezellen: "wij gevoelden, dat Jeruzalem aan de ongerechtigheid was overgegeven en Gods vloek daarop rustte. " .