15. En Ik zal maken, dat men den schimp der Heidenen, waarmee zij u, het land van het uitverkoren volk Gods voorstellen als of het mensen opat, niet meer over u hore, en gij zult den smaad der natiën niet meerdragen, en gij zult uwe volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.
Men heeft aan het land de predikaten gegeven van "mensen verslindster" en "volken kinderloos makend. " Men zal tot dien tijd van Kanaän alleen verderf over het volk des Heeren zien uitgaan, hier scheen het alles behalve een land van heil en zegen te zijn. Maar deze beschimping zal niet blijven, de daad zal ze wederleggen. Wat het Heidendom niet kende, was de reden waarom aan Israël die straf werd opgelegd; hun smaad had alleen betrekking op het uitwendige der zaak. Die reden ontdekt de Profeet door een schoon woordenspel tussen tlbvm en ylvbt Kanaän zal in het vervolg zijn land niet meer verslinden, maar zelfs het niet meer doen struikelen, ten val brengen, in zonde verstrikken. Israëls misdaad was de reden van zijn verderf. Zo lang die bleef, zo lang bleef ook het verderf en daarmee een zeker recht der Heidenen voor hun smaden. Daarom zal Jehova aan de zonde van het volk paal en perk stellen en Zich een heilig volk bereiden. Dan treedt de nietigheid van dien hoon duidelijk voor den dag, en de gehele stompzinnigheid van het Heidendom, dat alleen op de uitwendige macht zag, maar van de heiligheid van Jehova's handelwijze nauwelijks enige gedachte had.
In twee opzichten strekt onze belofte zich onvoorwaardelijk uit over hetgeen onder Zerubbabel omtrent het terugkeren in het heilige land vervuld is: 1) wanneer gezegd wordt, dat het heilige land aan Israëls volk ten erve zal worden, is de toestand geworden, dat het bezitten des heiligen lands, waarin Israël door Zerubbabel geraakte, toch later weer gestoord is; 2) ligt in de belofte, dat het heilige land zijne bewoners niet meer zal doen struikelen, niet meer in zonde zal doen vallen, een wijzen op een tijd, dat Gods volk zonder zonde zal zijn.
Wanneer deze tijd zal komen, en Israël ene gemeente zal zijn, die heerlijk is, die geen vlek of rimpel of iets van dien aard heeft, maar heilig en onstraffelijk, is duidelijk en bepaald genoeg in Openbaring 4:1-5 aangewezen. Dat is de tijd, waarin het volk, nadat het tot erkentenis zijner zonde en tot geloof in Christus gebracht is, nu in zijn land is teruggekeerd (Openbaring 1:11 v. 12:14-16). In dien gansen langen tijd van meer den 1800 jaren, in welke de Christelijke kerk door de roeping der Heidenen tot het rijk van God werd opgebouwd, stond tegenover de doortastende en geheel vernieuwende en heilige werkzaamheid van het Evangelie steeds ene ware hindernis. Bij de Heidenen der oude wereld, inzonderheid de Grieken en Romeinen, was het hun vroegere, uit het Heidendom voortkomende beschaving, die ene vermenging van Goddelijke waarheid en van gedachten, van menselijke wijsheid en gewoonten veroorzaakte, en tot Gnosticisme, Arianisme en andere dwalingen aanleiding gaf, totdat ten laatste aan de Oosterse kerk een einde moest komen (Openb 2:1-17, 8:10-9 :21). Bij de Heidenen der Germaansch-Slavische volken in de middeleeuwen was het daarentegen hun natuurlijke ruwheid en ongebondenheid, welke wel door de Roomse wettische kerk moest worden overwonnen en ook werkelijk door Gods opvoedende leiding in zo verre is ter zijde gesteld, dat in het werk der Reformatie aan Evangelische geest in de plaats kon treden. Toch heeft het Pausdom zijne ijdelijke bestemming miskend, zich met heidens bijgeloof bevlekt, en de wereldse begeerlijkheden lief gekregen, terwijl de Evangelische kerk van hare zijde hare roeping tot heiligmaking der zielen vroegtijdig heeft vergeten, en hetgeen haar was gegeven, niet op rente heeft gezet, zodat het daar ten laatste tot ontwikkeling van den persoonlijken Antichrist en hier ten minste tot die van het antichristelijke principe komt (Openbaring :18-3 :22; 11:7-10, 17:1-11). Altijd zijn het maar enkele tijden, dat de gemeente des Heeren haar licht door laat schijnen, en steeds slechts enkele zielen, bij wie het Evangelie als een zuurdeeg werkt, die het meel geheel doorzuurt-hare volle schoonheid en ware gedaante bereikt zij evenmin in het midden van haren leeftijd en in den jongeren tijd als in den ouderdom; er blijft nog een groot deficit, dat Hem, die het hoofd is ten smaad is, als ware Zijn woord en voorbeeld, een bloot ideaal, en het achterblijven hierbij ene zaak, die van zelf sprak. Maar de Heere heeft het volk van Zijn eigendom, Israël, waaruit Hij naar het vlees afstamt, daartoe uitverkoren, dat het zich, wanneer het eerst zal bekeerd zijn en gerechtvaardigd van zijne zonden, nu ook in de volle heerlijkheid ener gemeente van Christus vertone; juist de straftijd van vele honderde jaren, als Israël onder den toorn Gode versmacht, moet zijne harten geheel omkeren. Hoe groter zijne zonde geweest is, dat het den Zoon Gods aan het kruis heeft gehecht, des te dieper zal zijne beschaming zijn, wanneer het tot erkentenis dezer zonde gekomen is, en hoe groter de genade, die het volk niet heeft laten verloren gaan, maar zich zijner weer ontfermt, des te meer zal ook de overgave aan Jezus, die zelf een Hebreër is uit de Hebreën, onvoorwaardelijk en zonder enige terughouding worden. Daarbij komt, dat bij de oprichting der Zions gemeente in Openbaring 4:1, alleen zulke zielen tot het rijk van Christus worden geroepen, die verzegeld zijn. Wat niet tot het heilige zaad behoort, zal niet in het heilige land mede terugkeren; dat heeft ons Ezechiel 20:38 uitdrukkelijk gezegd. Gelijk nu de 144. 000 verzegelden volkomen zijn in de overgave huns geloofs naar de wijze des geloofs van Abraham, die zelfs bereid was zijnen enigen zoon Gode ten brandoffer te geven, zodat zij het Lam volgen, waar het heengaat, zo houden zij zich ook priesterlijk rein, of van de wereld onbevlekt, en betonen zich als profetisch waarachtig, zodat in hunnen mond gene valsheid wordt gevonden. Bij hen zal het niet slechts een ideaal woord zijn, wat Christus in Mattheus 19:12 van dezulken zegt, die zich zelven gesneden hebben om het rijk der hemelen, en wat Hij in Mattheus 5:34, gebiedt: "Zweert ganselijk niet, maar laat zijn uw woord ja, ja, neen, neen: wat boven deze is, is uit den boze, " en door middel van het eerste punt zal de gemeente zich ook vrij bewaren van zulk een toevoegsel, dat het nieuwe lied, hetwelk voor den troon en voor de vier dieren en de oudsten gehoord wordt, niet kan leren. Wij beschouwen den tempel van Ezechiël in Hoofdstuk 40, als ene symbolische voorstelling van het wezen dezer Zionsgemeente, verplaatsen dezen ook geenzins in den hemel, en verwachten dien even zo min eerst van het aanbreken van het duizendjarig rijk. Het laatste dient daarentegen, dat bij de priesterlijk profetische volkomenheid nu ook de koninklijke majesteit in het heersen met Christus kome. Dit zijn meestal nieuwe gedachten en inzichten, welke wij hier voorstellen. Aan tegenspraak zal het niet ontbreken, maar op den door ons ingeslagen weg zal het Boek der Openbaring an Johannes, geen zo veel misbruikt Boek meer zijn, en het Profetische woord des O. T. in zijne moeilijkste punten werkelijk ene tot helderheid komen.
16.
IV. Vers 16-Hoofdst 37:28. Onmiddellijk aan het vorige woord der belofte sluit zich een nieuw aan, dat den inhoud van het eerste weer opneemt, en het nog nader uiteenzet. Israël heeft de ellende gevonden op den weg zijner zonden, maar God zal om Zijns naams wil den zegen aanbrengen, en wel een zegen van oneindige volheid de terugvoering in het heilige land, de besprenging met het water der vergeving, de toedeling van een nieuw hart en de uitstorting des Geestes, de aanneming tot een waar volk van God, en de daaraan verbondene volheid van alle andere zegeningen (Vers 16-38). De mogelijkheid van ene zo heerlijke herstelling van Israël wordt den Profeet thans in een gezicht getoond, en de omvang deze wederherstelling door ene symbolische handeling, welke hij moet verrichten, voor ogen gesteld. In het gezicht wordt gehandeld over Israëls herstelling als verbondsvolk (Hoofdstuk 37:1-14), in de symbolische handeling over de wederherstelling als broedervolk (37:15-24), waarop de belofte van zegen nogmaals wordt herhaald, en de inhoud der Hoofdstuk 40-48 voorbereid (37:25-28).