Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 36
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
EN gij, mensenkind, profeteer
1
tot de
a
bergen Israëls, en zeg: Gij bergen Israëls, hoort des HEEREN woord.
2
Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat de
2
vijand van u zegt:
3
Heah, zelfs de
4
eeuwige hoogten zijn ons ten
b
erve geworden!
3
Daarom, profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men
5
u van rondom verwoest en
6
opgeslokt heeft,
7
opdat gij voor het
8
overblijfsel der heidenen ten erve zoudt zijn, en gij
9
gebracht zijt op de
10
klapachtige lip en
in
opspraak des volks;
4
Daarom, gij bergen Israëls, hoort het woord des Heeren HEEREN: Zo zegt de Heere HEERE tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot een roof en tot een spot geworden zijn voor het overblijfsel der heidenen die rondom zijn;
5
Daarom, zo zegt de Heere HEERE:
11
Zo Ik niet
12
in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel der heidenen en tegen het ganse Edom; die
13
Mijn land
14
zichzelven ten erve gegeven hebben met blijdschap des gansen harten, met
15
begerige plundering, opdat de
16
landerij
17
daarvan ten roof zou zijn!
6
Daarom, profeteer van het land Israëls, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat gij den
c
18
smaad der heidenen gedragen hebt;
7
Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ik heb
19
Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen die rondom u zijn, zelven hun schande zullen dragen!
8
Maar gij, o bergen Israëls, gij zult
weder
20
uw takken geven en uw vrucht voor Mijn volk Israël dragen, want
21
zij naderen te komen.
9
Want zie, Ik ben bij
22
u; en Ik zal u
23
aanzien, en gij zult gebouwd en bezaaid worden.
10
En Ik zal
24
mensen op u vermenigvuldigen, het
25
ganse huis Israëls,
ja
, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden.
11
Ja, Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen als in uw vorige tijden, ja, Ik
26
zal het beter maken dan in uw beginselen; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.
12
En Ik zal mensen op u doen wandelen,
namelijk
Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en gij zult hun ter erfenis zijn; en gij zult hen
27
voortaan niet meer beroven.
13
Zo zegt de Heere HEERE: Omdat zij tot u
28
zeggen: Gij zijt
een land
dat mensen opeet, en gij zijt
een land
dat
29
uw volken
30
berooft;
14
Daarom zult gij niet meer mensen opeten en uw volken niet meer
31
doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.
15
En Ik zal maken dat men den
32
schimp der heidenen niet meer over u hore, en gij zult den smaad der natiën niet meer dragen; en gij zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.
16
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17
Mensenkind, het huis Israëls, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij datzelve met hun
33
weg en met hun handelingen; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid ener
34
afgezonderde
vrouw
.
18
Daarom
35
goot Ik Mijn grimmigheid over hen uit, om des bloeds wil dat zij
36
in het land vergoten hadden, en om hun
37
drekgoden,
waarmede
zij dat verontreinigd hadden.
19
En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde hen naar hun weg en naar hun handelingen.
20
Als zij nu tot de heidenen kwamen waarheen zij getogen waren,
d
ontheiligden zij
38
Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des HEEREN, en zijn uit
39
Zijn land uitgegaan.
21
Maar Ik
40
verschoonde
hen
om Mijn heiligen Naam, dien het huis Israëls ontheiligde onder de heidenen waarheen zij gekomen waren.
22
Daarom, zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls, maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen waarheen gij gekomen zijt.
23
Want Ik zal Mijn groten Naam
41
heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik aan u voor
42
hun ogen zal
43
geheiligd zijn.
24
Want Ik zal
44
u uit de heidenen
45
halen, en zal u uit al de landen vergaderen, en Ik zal u in uw land brengen.
25
Dan zal Ik rein
46
water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw
47
onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
26
En Ik zal u een
e
48
nieuw hart geven, en zal een nieuwen
f
geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.
27
En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen.
28
En gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een
49
volk zijn, en Ik zal u tot een
50
God zijn.
29
En Ik zal u verlossen van al uw onreinheden, en Ik zal
51
roepen tot het koren en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen
g
honger op u leggen.
30
En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst des velds vermenigvuldigen, opdat gij de smaadheid des hongers niet meer ontvangt onder de heidenen.
31
Dan zult gij
h
52
gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen die niet goed waren; en gij zult een
i
walging van
53
uzelven hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.
32
Ik doe het niet om
54
uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend; schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis Israëls.
33
Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage als Ik u reinigen zal van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen
55
bewonen en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden.
34
En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was voor de ogen van een ieder die er doorging.
35
En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van
k
56
Eden; en de eenzame en de verwoeste en verstoorde steden zijn vast
en
bewoond.
36
Dan zullen de heidenen die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten dat Ik, de HEERE, de verstoorde plaatsen
57
bebouw
en
het verwoeste beplant;
l
Ik, de HEERE, heb het gesproken en zal het doen.
37
Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls
58
verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal hen vermenigvuldigen
59
van mensen als schapen.
38
Gelijk de geheiligde
60
schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op haar gezette hoogtijden, alzo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.