Genesis 22:1-2
Hier is de beproeving van Abrahams geloof of het, na zijn langdurige gemeenschapsoefening met God, even krachtig en overwinnend was gebleven, als het in het begin was toen hij zijn land heeft verlaten. Toen moest het blijken, dat hij God meer liefhad dan zijn vader, nu, dat hij Hem meer liefhad dan zijn zoon.
Merk hier op:
I. Het tijdstip, waarop Abraham aldus beproefd werd, vers 1, na deze dingen, na al de andere beproevingen, die hij gehad heeft, al de ontberingen en moeilijkheden, die hij te verduren heeft gehad, nu, toen hij misschien begon te denken, dat de stormen geheel voorbij waren, nu komt de beproeving die het scherpst is van alle. De vele vorige beproevingen zullen ons niet vrijwaren van nog andere en meerdere, wij hebben het harnas nog niet afgelegd, 1 Koningen 20:11. Zie ook Psalm 30:7, 8.
II. De werker van de beproeving. God verzocht hem, niet om hem tot zonde te brengen, zó verzoekt Satan. Indien Abraham Izaak geofferd had, dan zou hij niet gezondigd hebben, het daartoe ontvangen bevel zou hem hebben gerechtvaardigd en verdedigd. God verzocht hem ten einde zijn genade te doen uitkomen, en te doen zien hoe krachtig zij was, opdat zij bevonden werd te zijn "tot lof, en eer, en heerlijkheid," 1 Petrus 1:7. Aldus heeft God Job beproefd opdat hij niet alleen een goed en Godvruchtig man zou blijken te zijn, maar ook een groot man. God heeft Abraham verzocht, sommigen lezen die woorden: "God heeft Abraham verhoogd," zoals een leerling op school, die goede vorderingen maakt, in een hogere klas wordt geplaatst. Een sterk geloof wordt dikwijls geoefend door sterke beproevingen en tot zware diensten geroepen.
III. De beproeving zelf. God verscheen hem, zoals Hij hem vroeger verschenen was. Hij riep hem bij zijn naam: Abraham, de naam, die hem gegeven was ter bevestiging van de belofte. Als een goede dienstknecht antwoordde Abraham terstond: "Hier ben ik, wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht?" Waarschijnlijk verwachtte hij een vernieuwde belofte, zoals die in Hoofdstuk 15:1 en 17:1. Maar tot zijn grote verbazing luidt hetgeen God nu tot hem te zeggen heeft, kortweg: Abraham ga heen en dood uw zoon, en dit bevel wordt hem gegeven in zó bezwarende bewoordingen dat de verzoeking er nog smartelijker door wordt. Als God spreekt, let Abraham ongetwijfeld op ieder woord dat Hij zegt, en luistert er aandachtig naar, en ieder woord is hier een zwaard door zijn gebeente, de beproeving wordt hard gemaakt door pijn veroorzakende woorden. Heeft de Almachtige er dan behagen in te bedroeven? Neen, gewis niet, en toch, als Abrahams geloof beproefd moet worden, schijnt Hij er behagen in te vinden, om de beproeving nog te verzwaren, vers 2. Let op:
1. De persoon, die geofferd moet worden.
a. Neem uw zoon, niet uw stieren en uw lammeren, hoe gaarne zou Abraham die overgegeven hebben, duizenden er van zelfs, om Izaak te lossen! Neen, "Ik zal uit uw huis geen var nemen," Psalm 50:9. "Ik moet uw zoon hebben, niet uw dienstknecht, neen, de bezorger van uw huis, die voldoet niet, Ik moet uw zoon hebben". Jefta heeft ingevolge een gelofte een dochter geofferd, maar Abraham moet zijn zoon offeren, door wie het gezin gebouwd moest worden. "Heere, laat het een aangenomen zoon wezen", neen: b. "Uw enige zoon, uw enige zoon bij Sara." Ismaël was onlangs tot Abrahams smart uitgeworpen, en Izaak was alleen overgebleven, moet ook deze nu gaan? Ja.
c. "Neem Izaak, hem die met name genoemd is uw lachen, uw wezenlijke zoon." Niet: "Zend heen, en laat Ismaël terughalen, om hem Mij te offeren, neen, het moet Izaak wezen". Maar, "Heere, ik heb hem lief, hij is mij als mijn eigen ziel, Ismaël is niet meer hier, en wilt Gij nu ook Izaak nemen? Al deze dingen zijn tegen mij." Ja, die zoon, die gij liefhebt. Het was een op de proef stelling van Abrahams liefde tot God, en daarom moet het wezen in een geliefde zoon, die snaar moet het meest aangeraakt worden. In het Hebreeuws is de uitdrukking zeer sterk, en ik denk dat het zeer goed aldus gelezen kan worden: Neem nu deze uwe zoon, deze uw enige zoon, die gij liefhebt, die Izaak. Gods bevel moet over al deze bedenkingen de overhand hebben en ze tenietdoen.
2. De plaats. Het land Moria, op een afstand van drie dagreizen, zodat hij tijd heeft om er over na te denken en, zo hij het deed, het welberaden te doen, opdat aldus zijn dienst des te meer redelijk en des te meer heerlijk zijn zal.
3. De wijze: offer hem aldaar tot een brandoffer. Hij moet zijn zoon niet alleen doden, maar hem doden als offer, hem Godsdienstig doden, hem doden naar regel en wet, hem doden met al de plechtigheid, de kalmte en bedaardheid van gemoed, waarmee, hij zijn brandoffers placht te offeren.