12. En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël in den waren zin des woords (
Hoofdstuk 20:40); die zullen u erflijk bezitten, en gij, o bergland Israëls, zult hun ter erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer als in den tijd der straffen beroven van erfgenamen, gij zult niet meer het toneel van oorlogen zijn, waardoor zo velen worden weggeraapt.
In de hoogste vreugde ziet de Profeet den tijd naderen, dat de heerlijke bergen van den heiligen bodem in oude vruchtbaarheid groen worden, en gelijk vroeger bebouwd en bezaaid. De steden verheffen zich uit hare puinhopen, mensen en dieren maken in de rijkste volheid het verwoeste land weer vol leven. Daar zal het volk opnieuw zijne erflijke woning hebben als in vroegere tijden, maar nog meer goeds ontvangen, dan ooit hun deel geworden is, opdat het erkenne, dat zijn God de eeuwige en ware Jehova is.
Het 8ste vers geeft dadelijk den algemenen inhoud der belofte aan; de bergen Israëls zullen vruchtbaar worden ten gunste van het volk Gods, dat ze bewoont; de volgende verzen beschrijven dan deze vruchtbaarheid nader. De bergen, het land Israëls, moesten vol mensen, en wel vol Israëlieten, vol mensen van Gods volk worden, de vervallene steden moeten weer bewoond, de verwoeste velden moeten weer bebouwd en rijk in kudden worden, meer goeds dan te voren van God ondervinden, en alzo moet het land voor Israëls volk ene erfenis zijn, het voortdurend toebehoren.
Juist het wijzen op het nabijzijnde der Goddelijke zegeningen: "zij naderen te komen" bevat hier ene schone energie. Terwijl nu het Heidendom triomfeert, ligt in zijn triomfgeschrei reeds het gericht en het begin zijner vernietiging; daarentegen is Israël getroost juist in de diepste ellende, zijn heil is hem ook in dezen tijd zeker en vast gewaarborgd, want reeds in de nabijheid van dezen zegen te bespeuren. Het gericht, dat Israël treft is geen gericht ten ondergang, maar een voortgang, ene krachtige schrede tot het eeuwige heil zelf, in het tegenwoordige liggen reeds alle voorboden van zijne glansrijke toekomst en verhoging.
Deze belofte is wel na het terugkeren van een gedeelte des volks onder Zerubbabel en Ezra in zwakke aanvangen vervuld, maar de vermeerdering en zegening, welke de uit Babel teruggekeerden hebben ondervonden, bleef toch verre achter bij het heil, zo als het vooral ook in het volgende wordt beloofd; het uit de ballingschap teruggekeerde deel des volks bleef niet alleen onder de heerschappij der Heidenen, maar had ook nog veelvuldig den smaad der Heidenen te dragen, en werd eindelijk, omdat Israël niet slechts gestruikeld, maar door verwerping van zijnen Heiland diep gevallen is, weer uit het land onder de Heidenen verstrooid en het land geheel verwoest tot op dezen dag.
Op de vlakte van Israël, welke tot het vroeger met steden en vlekken zo rijk voorziene Galilea behoorde, en in het gebied van Bethsean trof Richardson op een afstand van 6 uren geen enkel dorp aan. De beken en bronnen van Kanaän, welke Mozes prees, schijnen sedert lang verdroogd te zijn. Korte verhaalt, dat hij in geheel Palestina niet meer dan 10 bronnen gevonden heeft, welke meer dan 80-100 schreden vloeiden. het grootste gedeelte van den weg van Sichem naar Jeruzalem leidt over ene ruwe, onvruchtbare, steenachtige landstreek. Dit kan reizigers, zegt Maundrell, in den beginne verlegen maken, wanneer zij uit de Bijbelse beschrijvingen zich ene zo schone voorstelling van het land hebben gemaakt, zij kunnen niet denken, dat een land als dit in staat is geweest de behoeften van zo vele inwoners, als worden opgegeven, voldoende te voorzien. Ik moet bekennen, merkt Jowatt op, dat het een bijzonderen, melancholischen indruk maakt, wanneer men zoveel land woest ziet liggen, en zo weinige inwoners in het land ziet. Toch heeft men gene reden, het land van nature voor onvruchtbaar te houden, zijne tegenwoordige onvruchtbaarheid kan geenszins aan natuurlijke oorzaken worden toegeschreven, maar wijst in den meest eigenlijken zin op den rechterlijken vloek-een rechtvaardig God heeft, na lang Zijne bedreigingen te hebben verschoven, het vruchtbare hand tot ene woestijn gemaakt, om de goddeloosheid van hen, die daarin woonden.