Ezechiël 34:17-31
De profeet heeft niets meer te zeggen tot de herders, maar hij heeft nu een boodschap over te brengen aan de kudde. God had hem bevolen met tederheid tot hen te spreken, en hen te verzekeren van de genade, die Hij voor hen bewaard had. Maar hier wordt hem bevolen verschil te maken tussen hen, scheiding te maken tussen hetgeen van hen kostelijk en hetgeen waardeloos was, en hun dan de belofte te doen van de Messias, door wie deze scheiding tot werkelijkheid gemaakt zou worden, deels bij zijn eerste komst "want tot een oordeel is Hij in deze wereld gekomen, Johannes 9:39. "Hongerigen heeft hij met goederen vervuld en rijken ledig weggezonden," Lukas 1:5, maar volkomen bij Zijn tweede komst, wanneer Hij, zoals hier gezegd wordt, "ze van elkaar scheiden zal, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt en Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand," Mattheus 25:32, 33, wat hiermee verband schijnt te houden. Hier hebben wij
I. De schuldverklaring van diegenen van de kudde, die sterk en vet waren, de rammen en de bokken, vers 17, namelijk die, welke, al hadden zij geen macht als herders en heersers om te verdrukken, toch, daar zij rijk en aanzienlijk waren, gebruik maakten van deze gunstige omstandigheden, om hun arme buren hard te behandelen. Die veel hebben, willen meer hebben, en, als zij er zich op toe leggen, zullen zij meer hebben, wijl zij zoveel middelen hebben om hun arme buren te beroven, en hun het enig ooilam te ontweldigen, 2 Samuël 12:4. Verdrukken niet de rijken de armen alleen met behulp van hun rijkdommen en "trekken zij hen niet tot de rechterstoelen," Jakobus 2:6 ? Arme knechten en pachters worden hard behandeld door hun rijke heren en meesters. De rammen en bokken hielden niet alleen al de goede weiden voor zich, aten het vette en dronken het lieflijke, maar zij lieten de armen van de kudde zelfs het vreedzaam genot niet van het weinige, dat hun gelaten was, zij vertraden het overige van hun weiden en vermodderden de overgelatene wateren zodat de kudde verplicht was te eten, wat zij vertreden hadden, en te drinken, wat zij vermodderd hadden, vers 18, 19. Dit betekent, dat de aanzienlijken hun buren niet alleen arm hielden door afpersing en verdrukking, en hun nauwelijks genoeg lieten om van te bestaan, maar het hun ook zo lastig maakten, dat hun weinige grove kost er door verbitterd werd. En dat was nog weinig voor hen, zij meenden, dat er geen kwaad in stak, alsof het een voorrecht was van hun rang, al hun buren te mogen verongelijken. Velen, die zelf prachtig en gemakkelijk leven, bekommeren zich er niet om, in welke benarde omstandigheden hun buren leven, als zij maar alles naar hun zin hebben. Die trots en weelderig zijn gunnen een ander geen enkel levensgenot. Maar dit was niet alles, zij beroofden niet alleen de armen om ze nog armer te maken, maar zij waren lastig voor de zieken en zwakken van de kudde, vers 21. Zij verdrongen de zwakken met de zijde en met de schouder (want de zwakste moet op zij gaan) en stieten ze met hun hoornen, omdat zij wisten, dat ze sterker waren, terwijl zij zich met huns gelijken niet durfden te bemoeien. Bij schapen heeft men opgemerkt, dat als een van de kudde ziek en zwak is, de anderen het, zo goed zij kunnen in veiligheid brengen, en tegen de zengende hitte van de zon beschutten, dezen, daarentegen, deden de zieken het meeste onrecht aan. Die ze niet aan zich dienstbaar konden maken, zochten zij met alle middelen uit het land te drijven, en verstrooiden ze naar buiten toe, alsof de armen, die wij, zoals Christus zegt, altijd bij ons moeten hebben, een last waren voor `t algemeen, zodat zij niet geholpen, maar ver van ons vandaan gezonden moeten worden. Het is wreedheid aan de verdrukte verdrukkingen toe te brengen. Misschien moeten deze rammen en bokken de schriftgeleerden en Farizeeën voorstellen, want zij verontrusten de kerk zozeer, dat Christus zelf komen moet, om haar van hen te verlossen, vers 23. Zij aten de huizen van de weduwen op, namen de sleutel van de kennis weg, bedierven het zuivere water van de goddelijke waarheden, en verdrukten het geweten van de mensen met de overleveringen van de ouden, behalve dat zij bij voortduring "de ellendigen onder de schapen, die op de Heere wachtten," Zacheria 11:11, kwelden en verongelijkten. Het is niets nieuws voor de kudde van God om grote schade en kwaad te ontvangen van die zelf tot de kudde behoren en er een hoge plaats innemen, Handelingen 20:30.
II. Troost voor diegenen van de kudde, welke arm en zwak zijn, en die wachten op de vertroosting Israëls, vers 22 :Ik za Mijn schapen verlossen, en zij zullen niet meer verscheurd worden door de roofdieren, door hun eigen herders of door de rammen en bokken onder hen, zoals tot nu toe. Bij deze gelegenheid zoals gewoonlijk in de profeten, wordt een voorspelling ingevoegd van de komst van de Messias, en de oprichting van Zijn koninkrijk en de buitengewoon grote en kostelijke weldaden, die de kerk genieten zal onder bescherming en invloed van dat koninkrijk. Opmerking verdient, wat hier voorspeld wordt
I. Van de Messias zelf.
a. God Zelf zal Hem Zijn opdracht geven, Ik zal Hem verwekken, vers 23, en wederom vers 29. Hij heiligde en bevestigde Hem, gaf Hem Zijn aanstelling en zalfde Hem.
b. Hij zal de grote Herder van de schapen zijn, die voor Zijn kudde doen zal, wat niemand anders kon doen. Hij is de enige Herder, onder Wien Joden en heidenen een kudde zullen zijn.
c. Hij is Gods knecht, werkzaam in Zijn dienst, en alles doende in gehoorzaamheid aan Zijn wil, met het oog op Zijn eer-Zijn knecht, om Zijn koninkrijk onder de mensen te herstellen en de belangen van dat koninkrijk te bevorderen.
d Hij is David, de man naar Gods hart, als Zijn koning op de heiligen berg Zions gevestigd, tot een hoofd des hoeks gemaakt, met Wien het verbond des koninkrijks is gemaakt en Wien God de troon van zijn vader David geven zal. Hij is beide, de wortel en het geslacht Davids.
e. Hij is de "Plante van naam, omdat Hij een rechtvaardige Spruit is", Jeremia 23:5, "een Spruit des Heren die tot sieraad en tot heerlijkheid is," Jesaja 4:2. Hij heeft een naam boven allen naam, een troon boven alle tronen, en daarom mag Hij wel genoemd worden een "Plante van naam." Sommigen passen dit toe op "de kerk, de plantinge des Heeren", Jesaja 61:3. "Ik zal Uw naam doen gedenken en in haar de naam van Christus".
2. Van de grote grondwet, waarop het koninkrijk van de Messias gegrondvest zal worden, vers 25 :Ik zal een verbond des vredes met hen maken. Het verbond van de genade is een verbond des vredes. Daarin maakt God vrede met ons, spreekt tot ons van vrede, en verzekert ons de vrede, en alle goeds, dat wij nodig hebben om gelukkig te zijn. De strekking van dit verbond is: Ik de Here zal hun tot een God zijn, een algenoegzaam God, vers 24, Ik zal ze erkennen, en door hen erkend worden, hiertoe zal Mijn knecht David Vorst zijn in het midden van hen, om hen tot gehoorzaamheid te brengen, om hun hulde te ontvangen, en over hen te regeren, in hen en voor hen. "Zij, en zij alleen, die de Heer Jezus als hun Vorst hebben, hebben de Heere God als hun God. En dan zullen zij, het huis Israëls, Mijn volk zijn". Als wij God als onze God aannemen, zal Hij ons als Zijn volk aannemen. Uit dit verbond tussen God en Israël volgt gemeenschap: "Ik, de Here hun God, ben met hen, om met hen te verkeren: en zij zullen het weten en er de troost van hebben." 3. Van de voorrechten van hen, die getrouwe onderdanen zijn van dit koninkrijk van de Messias en die belang hebben bij dit vredesverbond. Deze worden hier figuurlijk voorgesteld, als de zegeningen van de kudde. Maar wij hebben er de sleutel van, vers 31. Die tot deze kudde behoren, al worden zij schapen genoemd, zijn in werkelijkheid mensen, mensen, die de Heer als hun God hebben, en met Hem in verbond zijn. Hun wordt hier beloofd,
A. Dat zij een heilige veiligheid zullen genieten onder goddelijke bescherming. Christus, onze goede Herder, heeft het boos gedierte uit het land doen ophouden, vers 25, daar Hij al onze geestelijke vijanden overwonnen, hun macht verbroken, en over hen getriumfeerd heeft, de brullende leeuw is voor hen geen brullende verslindende leeuw, "Zij zullen de heidenen niet meer ten roof zijn, en de heidenen zullen hun niet meer tot schrik zijn, en het wild gedierte van de aarde zal ze niet meer vreten." Zonde en Satan, dood en hel zijn overwonnen. En dan zullen zij zeker wonen, niet alleen in hun kooi, maar ook in de velden, in de woestijn en in de wouden, waar de roofdieren zijn, niet alleen zullen zij daar wonen, maar zij zullen daar slapen, hetgeen betekent, dat zij daar niet alleen niet in gevaar zullen zijn, omdat het gedierte daar opgehouden heeft, maar omdat hun geweten gezuiverd en bevredigd is, zullen zij niet vrezen voor enig gevaar, niet alleen beveiligd tegen gevaar, maar ook gerust ten opzichte van de vrees voor gevaar. Zij kunnen gerust neerliggen en veilig slapen, die Christus als hun vorst hebben, want Hij zal hun beschermer zijn, en hun veilig doen wonen. Niemand zal hun leed doen, ja, niemand zal ze verschrikken. "Als God voor ons is, wie kan tegen ons zijn? Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats." Door Christus verlost God Zijn volk niet alleen van datgene waarvoor zij reden hebben te vrezen, maar ook van hun vrees voor de dood, van alle vrees, die een kwelling is. Deze veiligheid tegen het kwaad wordt beloofd, vers 27 :Zij zullen zeker zijn in hun land, zonder gevaar, dat een inval gedaan en zij tot slaaf gemaakt zullen worden, hoewel hun grote overvloed een verzoeking zal zijn voor hun naburen, om hun land te begeren, en wat hun een gevoel van veiligheid zal geven, is hun vertrouwen in de wijsheid, macht en goedheid van God: Zij zullen weten, dat Ik de Heere ben. Alle vrees, die ons verontrust, ontslaat uit ons gebrek aan kennis van God en onze verkeerde begrippen van Hem. Hun ondervinding van Zijn bijzondere zorg voor hen, zal hun vertrouwen in Hem aanmoedigen: Ik heb de disselbomen van hun juk verbroken, waardoor zij onderworpen en onderdrukt zijn, en hen gered uit de hand dergenen die zich van hen deden dienen, waaruit zij het besluit zullen trekken: Hij, die ons verlost heeft, zal het ook verder doen, daarom zullen wij veilig wonen. Dit wordt verklaard en toegepast op de tijd van het Evangelie, waarin wij leven, Lukas 1:74. "Dat wij, verlost zijnde uit de hand van onze vijanden, Hem dienen zouden zonder vrezen, zoals zij kunnen doen, die Hem in het geloof dienen."
B. Dat zij geestelijke overvloed zullen hebben van alles wat goed is, van het beste, tot hun troost en geluk: Zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, vers 29. Als Israël gestraft werd met het oordeel van honger en gebrek, dan verkeerde dat evenzeer in hun smaad onder de heidenen, als enig ander oordeel, omdat over de vruchtbaarheid van Kanaän zoveel gesproken werd. Maar nu zullen zij de smaad van de heidenen niet meer dragen. Want de plasregen zal nederdalen op zijn tijd, ja plasregens van zegen, vers 26. Christus is een herder, die Zijn volk weiden zal, en zij zullen inen uitgaan, en weide vinden.
a. Zij zullen niet van honger omkomen, want zij zullen niet met de wereld als hun deel afgescheept worden, hetgeen geen brood is, hetgeen niet verzadigt, en hetgeen hen, die er mee afgescheept worden, van honger laat omkomen. De geboden van de wet van de godsdienstplechtigheden worden zwakke en arme eerste beginselen genoemd, want, vergeleken met de christelijke instellingen, was er weinig in, waarmee de maaier zijn hand vult, en de garvenbinder zijn arm. "Die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, zullen niet van honger omkomen, want zij zullen verzadigd worden. En die drinkt van het water, dat Christus hem geeft, de stille wateren, waaraan Hij Zijn schapen leidt, zal in eeuwigheid niet dorsten".
b. Plasregens van zegen zullen op hen neerdalen, vers 26. De hemel zal zijn dauw geven, het geboomte des velds zal zijn vrucht geven, vers 27. De zetel van deze overvloed is de berg Gods, Zijn heilige berg Zion, want op die berg is het, dat God, in de kerk van het Evangelie, alle volken een maaltijd bereid heeft, daar moeten aanzitten allen, die deel willen hebben aan de weldaden van het Evangelie. De oorzaak van deze overvloed is de plasregen, die op zijn tijd nederdaalt, die neerdaalt op de bergen van Zion, de genade van Christus, Zijn leer, die druppelt als de dauw, de genade van Christus en de gaven en vertroostingen van Zijn Geest, waardoor wij vruchtbaar worden in de vruchten van de gerechtigheid. De voorbeelden van deze overvloed zijn de zegeningen des hemels op ons uitgestort en de voortbrengselen van de genade, door ons voortgebracht, onze troost in Gods gunst en Gods eer in onze vruchtbaarheid. De uitgestrektheid van deze overvloed is zeer groot in "alle plaatsen rondom Mijn heuvel, want uit Zion zal de wet uitgaan, zal licht uitgaan over een duistere wereld, en de rivier, die een droge en woeste wereld zal beproeven, allen, die in de nabijheid van Zion wonen zullen welvaren, en hoe nader bij de kerk, hoe neer bij God". En, tenslotte, het resultaat van deze overvloed is: Ik zal hen tot een zegen maken een buitengewonen en voorbeeldiger zegen, een voorbeeld van geluk, Jesaja 19:24. Of, zij zullen een zegen zijn voor aller. om hen heen, zij zullen zegen verspreiden. Die van de Heere gezegend zijn, moeten er zich op toeleggen een zegen voor de wereld te zijn. Hij, die goed is, dat hij goed doe, hij, die de gave, de genade ontvangen heeft, geve ze weer aan anderen.
Deze belofte van de Messias en Zijn koninkrijk gaven veel troost aan hen, aan wie ze toen gedaan werd, want zij konden er zeker van zijn, dat God hun volk niet volkomen vernietigen zou, hoezeer het ook vernederd mocht worden zolang die zegen in zijn schoot rustte, Jesaja 65:8 Maar zij geeft ons veel meer troost, voor wie zij vervuld is, die de schapen zijn van deze goeden Herder, in Zijn weide geweid worden en "gezegend met alle geestelijke zegening in de hemel door Hem."