22. Daarom zal Ik Mijne schapen verlossen, dat zij niet meerden wilden dieren (
Vers 5 v.) tot enen roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee.
De uitroeiing der boze Overheden zou op zich zelf nog gene ware weldaad voor het volk zijn, wanneer niet werkelijk in hun plaats een beter element werd gezet. Daarom geeft Jehova Zichzelven daartoe. Hij neemt de onmiddellijke leiding des volks over, en verwezenlijkt in volkomen zin de idee van enen waren herder (Vers 11). De Profeet overziet nu den tijd, de gehele periode der genade, en toont aan, hoe daarin het getrouwe herdersambt des Heeren zich steeds heerlijker ontwikkelt, en in ene reeks van trapsgewijs voortgaande daden der Goddelijke liefde zich tot heil en zegen Zijner gemeente openbaart. De gedachtengang is de volgende: vooreerst vergadert Jehova de verstrooide kudde, en verenigt ze tot één geheel (vers 12). Aan deze geeft Hij het land der belofte, en rijker dan ooit te voren overlaad Hij haar met de gaven en zegeningen Zijner liefde (Vers 13-15). Opdat echter deze gemeente het beeld ener ware gemeente Gods, in tegenstelling tot de oude Theokratie voorstelle, brengt de Heere ene scheiding te weeg, en reinigt Hij het nieuwe rijk van zijne boze en verderflijke elementen (vers 16-22). Aan de alzo nieuw gevormde gemeente wordt dan, zoals de volgende afdeling (vers 23-31) zal aanwijzen, een koning gegeven, door wien zij tot waren vrede, tot onvergankelijke heerlijkheid komt.
Ons Godswoord blijft dus geenszins er bij staan, dat het op negatieve wijze het woord der vernietiging uitspreekt over de ontrouwe herders, die tot hiertoe waren, maar God geeft aan Zijn door de herders misleid, maar ook verlost volk de positieve verzekering, dat Hij Zelf in de plaats der ontrouwe herders den herdersstaf over Zijn volk in Zijne hand zal nemen, en, zoals van zelf spreekt, het met alle getrouwheid en goedertierenheid zal leiden. Daarmee wordt ons Gods woord, dat tot hiertoe een woord van boete was, dat zich aan het over Israël gekomen gericht aanknoopte, tot ene verkondiging van zegen.
De Christelijke kerk heeft God zelven tot bisschop, patroon en herder, die Zich haar aantrekt.
De Heere zelf wil voortaan Herder zijn over Zijn volk, de in het duistere verstrooide schapen weer vergaderen tot het licht des heils en de uit alle oorden teruggebrachte op de prachtige hoogten en in de vruchtbare dalen van Zijn heilig land met zorgvuldige liefde weiden. Hij wil nu doen wat zij, die tot leidslieden des volks waren gesteld, hebben nagelaten-het verlorene zoeken, het verjaagde terugbrengen, het verwonde verbinden, het zieke sterken en genezen, maar het vette en sterke wil Hij vernietigen en het weiden naar recht. Het vette en sterke zijn de nieuwe rovers, die zich onder het volk zullen opdoen, nadat de oude door de Chaldeeuwse katastrofe zijn ter zijde gesteld; met deze uitdrukkingen worden niet in `t algemeen alle machtigen bedoeld, maar zij, wier enige gedachte bezitten en macht tonen is. "David betoont zich op den troon als een ellendige en arme. De in het eerste deel van het vers aangekondigde zorg voor het lijdende deel der kudde kan niet tot werkelijkheid worden zonder een krachtig ingrijpen (weiden met oordeel), tegenover degenen, die verkeerdheid doen. De gedachte, die hier het eerst voorkomt, de gedachte der reactie Gods tegen het wederkeren der ongelukkige toestanden vóór de ballingschap, wordt vervolgens tot aan het einde dezer afdeling verder uitgewerkt.
Het verlorene, wat in het geheel niet meer geacht wordt tot de kudde te behoren, wat van de lijst der schapen door de boze onderherders is doorgehaald (in den ban gedaan), dat waren in Christus dagen de tollenaars en zondaars. "Nu zijn het die door de alleen zaligmakende kerk worden uitgesloten en verworpen. Het verdwaalde zijn de meest verwaarloosden, die wegens gebrek aan gezonde weide en goede besturing zich niet meer aan de gemeente houden, ofschoon zij er nog toe worden gerekend en er zich zelven toe rekenen; zij dwalen òf alleen òf in kleine hoopjes rond, (sekten, separatisten) en keren niet tot de gemeente terug, omdat zij in de kudde, die zich des Heeren noemt, niet de kentekenen van de gemeente Gods ontdekken. Het gewonde zijn zij; die aan het een of ander aanstoot of ergernis hebben genomen, gelijk een schaap dat een been heeft gebroken, of dat gebeten is, of welks herder zich zijner niet aantrekt. Het zwakke zijn zij, welke door slechte weide, door valse leer en slechte voorbeelden zwak in geloof en in wilskracht zijn geworden, gelijk de schapen, die verkeerd (op ongezonde weide) zijn gehoed. Aan al deze ellendige schapen belooft de Heere, de goede Herder, ze zelf te zullen verplegen. En Hij heeft het gedaan, en Hij doet het nog, (en Zijn woord zal aan de kerk in het bijzonder dan vervuld worden, wanneer de tijd van hare vernieuwing, waarop Openbaring 1:13 wijst, komen zal). Onder de vetten en sterken daarentegen zijn zij te verstaan, die zich onder de slechte herders wél bevonden, die gewandeld hadden in uitwendigen welstand en schijn van gerechtigheid naar de heersende begrippen des tijds, gelijk de valse profeten ze in het woord Gods inschoven en ze valselijk uit Gods woord afleiden. In verdorvene tijden zijn er ook in de Christelijke gemeente de zodanigen, uiterlijk nauwgezet aan de kerk vasthoudende, en daarmee de mode volgende, vervuld met spreuken des Bijbels, sterk in het gispen en oordelen van anderen, maar toch ondeugend en goddeloos, vol gierigheid en hoogmoed; gewitte graven! .
De gestrenge Rechter is een goed Herder. Niet alleen de gewetenloze leiders der kudde wil Hij bezoeken, ook de schapen zelf wil Hij volgens Vers 17, tot rekenschap roepen, en de vetten, die zich ten koste der magere gemest hebben, bestraffen, Hij wil ene grote scheiding maken tussen schapen en schapen, bokken en rammen. Deze, de gewichtigen onder het volk, beschouwt Hij in `t bijzonder, wanneer Hij zegt, dat zij de goede weide verteren, en wat zij overlaten met hun voegen vertreden, dat zij het stille heldere water drinken en het andere troebel maken, dat zij de zwakken en zieken met geweld dringen en met de hoornen stoten.
Onder de rammen en bokken zijn de slechte elementen bedoeld, die zich in de kudde onder het volk zelf bevinden, die hun boze gezindheid in hardheid en geweld tegen den naaste openbaren; met deze zijn de vette en sterke schapen gelijk gesteld in tegenoverstelling tegen de magere. Deze vreten de beste weide voor zich af, en vertreden het overige met de voeten, drinken voor zich het heldere water, en maken het overige met de voeten troebel, het zwakke stoten zij af en drijven het weg.
Ene hoofdfase in het richten tussen kleinvee en kleinvee, was de door God gegevene beslissing in den strijd der Joodse synagoge tegen de ontkiemende Christelijke kerk.
De hulp der kudde, welke bestaat in de verlossing der ware schapen van de boosheid en den druk der geweldige en boze elementen, welke met haar vermengd zijn, is alleen hun Herder en Zijn gericht, daarom moeten wij ons vertrouwen in dezen onzen tijd van alle schepselen aftrekken, ook niets van nieuwe wetten en inrichtingen verwachten.
Wat in Vers 18, 21 van de bokken en rammen, of van de vette en sterke schapen gezegd wordt, past wel niet op eigenlijke schapen, die zo niet doen, als hier staat; maar er is van mystische schapen sprake, d. i. er zijn de huichelaars en goddelozen in de kudde Gods mede bedoeld.
Men verklaart gemeenlijk deze plaats (Vers 17-22) zo, dat men de bokken en rammen geheel gelijk stelt met de slechte koningen, en de koningen en leiders des volks in het algemeen daaronder verstaat, waardoor de gelijkenis wordt verwrongen; of men vat ze op als van de rijken en hebzuchtigen onder het volk gesproken, waardoor de goede weiden en de zuivere bronnen hare rechte betekenis niet erlangen. Daarentegen schijnt de verklaring, dat daarmee bedoeld zijn de valse leraars, die naar hun willekeur Gods woord uitleggen (thans ook de volksredenaars, de schrijvers enz.) alleen met den zin van den tekst overeen te brengen, en men kan ze naar deze bijzondere bezigheid en bemoeiing, die zij ten dele geheel zonder ambtelijke verplichting op zich nemen, zeer wel van de leidslieden des volks onderscheiden, al zijn dezelfde personen soms tevens herders en de leiders des volks, Ezechiël en Jeremia (Jeremia 23:9-32) noemen deze "rammen en bokken, " elders verbloemd "valse profeten, " en de Heere waarschuwt voor hen (Mattheus 7:15) als die in schaapsklederen tot u komen, maar inwendig grijpende wolven zijn.