Jesaja 65:8-10
Dit wordt door Paulus verklaard in Romeinen 11:1-5. Daar vraagt hij, naar aanleiding van de verwerping van de Joden: Heeft God Zijn volk verworpen? En hij antwoordt: Neen, want nog in deze tegenwoordige tijd is er nog een overblijfsel naar de verkiezing van de genade. Deze profetie heeft betrekking op dat overblijfsel. Wanneer het huichelachtig volk op het punt staat van verwoest te worden, zal God sommigen uit hen voor zich afzonderen en bewaren. Sommigen van de Joden zullen er toe gebracht worden om het Christendom te omhelzen, tot de kerk toegevoegd en daardoor behouden worden. En onze Zaligmaker heeft gezegd dat ter wille van deze uitverkorenen de dagen van de verwoesting van de Joden zullen verkort worden en er een einde komen zal aan de verlating, die anders tot zo hoge trap zou voortgaan, dat geen vlees zou behouden worden, Mattheus 24:22.
I. Dit wordt hier door een gelijkenis toegelicht, vers 8. Wanneer een wijnstok zo vervallen en verweerd is, dat er naar het schijnt geen sap of leven meer in is, en de wijngaardenier daarom er toe geneigd is om hem te ontwortelen of af te snijden, maar er nog een bagatel sap in een druif gevonden wordt, waarvan wijn zou kunnen gemaakt worden, of schoon slechts in een tros, zal een toeschouwer tussenbeiden komen en zeggen: Verderf hem niet, want er is een zegen in. Er is leven in de wortel, en hoop dat er nog iets goeds uit zal voortkomen. Godvrezenden zijn een zegen voor de plaatsen, waarin zij leven, en soms spaart God gehele steden en volken ter wille van weinigen hunner. Hoe naijverig behoorden wij te zijn op deze eer, niet alleen om van anderen onderscheiden te worden, meer om voor anderen nuttig te zijn.
II. Hier is een beschrijving van hen, die dit geredde en reddende overblijfsel zullen uitmaken.
1. Zij zijn dezulken die God dienen. Het is om Mijner knechten wil, vers 8, en het zijn Mijn knechten die daar wonen zullen, vers 9. Gods getrouwe knechten, hoe zij ook mogen aangezien worden, zijn de beste vrienden van hun land, en die Hem dienen, doen dat van geslachten.
2. Zij zijn dezulken die God zoeken, die het tot doel van hun leven maken om God te verheerlijken en het werk van hun leven om Zijn naam aan te roepen. Zij zijn het volk, dat Mij gezocht heeft. Zij die God zoeken, zullen Hem vinden, en Hij zal hun een milde beloner zijn.
III. Hier wordt meegedeeld welke barmhartigheden God voor hen bewaard heeft. Het overblijfsel, dat uit de gevangenschap zal wederkeren, zal opnieuw een gelukkige vestiging in hun eigen land hebben, en dat bij erfrecht, als het zaad van Jakob, in hetwelk het gehele geslacht bewaard blijft, en waaruit, als uit gezaaide graankorrelen, een talrijk nageslacht zal ontspruiten, en dit is het type van het overblijfsel van Jakob, dat door het geloof in de kerk des Evangelies zal worden ingelijfd.
1. Zij zullen zelf een goed aandeel hebben. Zij zullen Mijn bergen beërven, de heilige bergen waarop Jeruzalem en de tempel waren gebouwd, en de bergen van Kanaän, het beloofde land, het type van het genadeverbond, dat al Gods knechten, Zijn uitverkorenen, zullen bewonen en erven. Het wordt hun toevlucht hun rust en hun verblijfplaats, gelijk zij er in wonen, zo zijn zij er thuis en zij hebben het tot een erfelijke bezitting ingenomen. het zal hun zijn tot een onverderflijke erfenis. Gods verkorenen, het geestelijk zaad van Jakob, van de biddende Jakob, zullen de erfgenamen worden van zijn bergen van vreugde en zegening, en zij zullen er door dit tranendal veilig heengeleid worden. 2. Zij zullen een groene weide voor hun kudden hebben, vers 10. Saron en het dal van Achor zullen opnieuw, evenals vroeger, vervuld worden met kudden. Saron lag westelijk, op de weg naar Joppe, Achor oostwaarts bij de Jordaan. Daardoor wordt aangeduid dat zij weer in bezit van het gehele land zullen gesteld worden, dat zij er voldoende kudden in zullen hebben, en dat zij er vreedzaam het genot van smaken zullen, zonder gestoord of verschrikt te worden. De instellingen van het Evangelie zijn de velden en valleien, waar de schapen van Christus zullen ingaan en uitgaan en weide vinden. Johannes 10:19, en waar zij vredig mogen nederliggen, Psalm 23:3, gelijk de kudden van Israël in het dal van Achor, Hosea 2:15.