24. En Ik, de HEERE, zal hun tot enen God zijn; en Mijn knecht David zal a) vorst zijn (2 Sam. 7:8) in het midden van hen; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het gewis tot stand brengen, hoe diep ook de vernedering des volks en van zijn koningschap is.
a) Jesaja 55:4.
De zorg voor de geheiligde gemeente wordt nu op den door God aan het volk gegeven Messias gelegd. In Hem wordt de zaligheid des volks volkomen, wordt het toppunt van allen zegen, die beloofd is, ontvangen. De Messias wordt hier in de eerste plaats voorgesteld als de eigenlijke vertegenwoordiger onder Zijn volk. Jehova had volgens Vers 11 zelf het herderlijk ambt overgenomen. Dat openbaart zich in den Messias, in Hem geeft Zich Jehova zelf. Van daar in Vers 24 : "Ik, de Heere, zal hun tot een God zijn, en Mijn Knecht David zal vorst zijn in het midden van hen. " De Messias is dus die persoonlijkheid, in wien de ware gemeenschap van God met het volk voor het oog treedt, en het koningschap Gods in de Theokratie als den eigenlijken, volkomenen plaatsbekleder Gods wordt gezien. Hij is alzo verder één Herder, die het geheel der theokratie als één vorst beheerst, in tegenoverstelling van het verdeelde koningschap van den vroegeren tijd, waarin het gebrekkige van het oude koningschap, de zonde, die aan beide zijden was, zeer duidelijk te zien was. De splitsing der rijken was reeds ene schrede tot de ballingschap zelf, het begin van Israëls verstrooiing. Nu vormt echter Israël gene diaspora meer, maar ééne nauw verbonden kudde, dien overeenkomstig is Zijn ware herder ook een Eénige.
Voor dezen vorst, onder welken Israël weer zou worden verenigd, was David een des te passender type, daar hij het Israëlietische volk, hetwelk reeds op het punt was geweest, om zich te verdelen, weer verenigde en zamen hield.
Dat door "David" hier de ware David, de Messias wordt bedoeld, in wien Davids stam zijn toppunt zou verkrijgen, daaraan laat de meer uitgewerkte aankondiging bij de vroegere Profeten en op andere plaatsen van Ezechiël zelven niet twijfelen. Aan een persoonlijk weer verschijnen van David kon niemand denken, die op het gebied der Schrift te huis was, even zomin als in Maleachi 4:5 aan een persoonlijk weer verschijnen van Elias. De Messias, de grote nakomeling van David, dat was in den tijd van den Profeet reeds lang vaststaande leer. Er is ook geen sprake van ene wederopwekking van David, maar van de zending van enen David, die er nog niet geweest was.
Deze Spreukenit Davids wordt een knecht Gods genoemd, omdat Hij als Gods werktuig die raadsbesluiten Gods zal ten uitvoer brengen, van welke de voorgaande verzen (Vers 11-22 11-) hebben gesproken.
Door dat bestuur zal Jehova in waarheid God van Zijn volk Israël worden, want Hij zal het volk in volkomen eenheid met Jehova weiden, den wil van Jehova ten uitvoer brengen, niet zo als de goddeloze herders Zich tegenover God stellen, omdat Hij, zoals daarbij verondersteld wordt, door eenheid des Wezens met God verbonden is.