23. En Ik zal in tegenstelling niet alleen tegen de vele slechte herders (
Vers 2), maar ook tegen de vroegere splitsing van het volk in twee koninkrijken (
Hoofdstuk 37:14.
Jeremia 23:7) enen enigen a) Herder over hen verwekken (
Deuteronomium 18:15.
2 Samuël 7:12), en Hij zal hen weiden, namelijk Mijnen b) knecht David (
Jesaja 42:1.
Jeremia 30:9.
Hosea 3:5); die zal ze weiden, en die zal hun tot een herder zijn.
a) Jesaja 40:11. Johannes 10:11. b) Jesaja 42:1; 50:10; 52:13; 53:11.
Onder de benaming van herders worden in het Oude Testament vorsten en leraars (Red. ?) verstaan, omdat gebiedvoering en voeding in het herderschap verenigd zijn. De overheid en de leraarsstand, of Staat en Kerk zijn dan ook de twee grote vertegenwoordigers van den Goddelijken wil, volgens welken voor het uiterlijk en innerlijk, voor het tijdelijk en geestelijkheid der mensen evenzeer en onophoudelijk moet gezorgd worden. De kracht nu van Gods Woord gaat dóór tot allen. Allen, die in de bediening zijn, hetzij van Staat of Kerk, moeten Gods eer handhaven, en hetgeen er onafscheidelijk mede verbonden is, het heil der mensen bevorderen; zo niet, dan vervalt het volk maatschappelijk en zedelijk, en wordt het nochtans behouden, het is als door een vuur van oordelen heen. Zolang de vreze des Heeren het beginsel is van Kerk en Staat, is er een band, die het volk te zamen houdt, even als ene welgeordende kudde onder het bestuur en geleide van een goeden herder; maar wordt dit beginsel losgelaten, zo laat men daarmee den band des volks los, en ontbinding en verstrooiing ontstaat aan alle kanten, gelijk bij ene kudde schapen, welke geen herder heeft. Nu is het in onzen tijd veel, wanneer men nog van Christus weten wil als een Zaligmaker, maar Hem te erkennen als den Overste der koningen der aarde, wiens heerschappij gaat over tijdelijke, wereldlijke, burgerlijke dingen zowel als over de harten, zielen en concientiën, is bij de meesten geheel buiten sprake. Dat althans wij, die in Zijn gezegenden naam mogen geloven, Hem als zodanig erkennen, en dat wij daarbij bidden voor alle koningen en alle leraren, opdat zij door het geloof mogen bewaard blijven voor dat oordeel van God, dat de ontrouwe herders afwerpt van hun tronen en zetels! God haat niets meer dan belangzoekers, en vragen nu de herderen niet naar de schapen, maar naar hun eigen belang, dan lijden zij zelven ten laatste toch het nadeel, want is de lankmoedigheid Gods ten einde, dan worden hun de schapen ontrukt, en zij zijn koningen zonder troon en leraren zonder leerstoel. En dan in het einde? Ja dßn zal God, zal Christus zelf het koninklijk herdersambt waarnemen. Op aarde? Ja; God heeft het beloofd. Als de afval zo groot zal geworden zijn, dat de getrouwe herderen weinige in den lande zijn geworden, dan komt de Heere zelf regeren en leren, en bijzonder de gelovigen zullen alsdan door God geregeerd en geleerd worden. Dit geschiedt nu reeds geestelijk inwendig, en zal eenmaal ook letterlijk en zichtbaar geschieden. Het is de belofte aan Israël, welke als een licht voort blijft branden, al de eeuwen door, en ontelbare lichten worden er aan ontstoken. De troost Gods is zo groot en overvloedig, dat duizenden er zich aan kunnen laven als aan ene altijd springende fontein; doch daarom kan die fontein wel bestemd zijn om in de laatste dagen in al hare volheid uit te stromen. Vergelijk slechts de geboorte van Christus in den herderstal te Bethlehem met het woord Openbaring :17. Het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren.
Merk hier aan, wat hier voorzegd wordt van den Messias Zelven. Hij zal Zijn last van God hebben. Hij zal de grote Herder der schapen zijn, die datgene voor Zijne schapen doen zal, dat niemand anders kan doen. Hij is Gods knecht, door Hem en voor Hem gebruikt, en die alles doet in gehoorzaamheid aan Zijn wil, met een oog op Zijn eer en heiligheid. Zijn knecht, om Zijn Koninkrijk onder de mensen te herstellen en de belangen van het Koninkrijk te bevorderen.