31. Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide! gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE. Met dit woord gaat de Heere verder dan Israël, en belooft ten slotte aan de gehele mensheid, waarvan in
Openbaring 1 sprake is, den nieuwen hemel en de nieuwe aarde (
2 Petrus 3:13).
Deze woorden, het slot van het hoofdstuk zijnde, verklarende de overdrachtelijke manier van spreken (metaphora), welke door het gehele kapittel gebruikt is, dat hetgeen van schapen en herders gezegd was, verstaan moest worden van mensen en van degenen, die gezag over hen hadden, en in `t bijzonder van Gods volk, waarvoor Hij zorge draagt, gelijk een herder voor zijne kudde. Zie Hoofdstuk 36:38. Psalm 80:2.
Al `t geen gezegd is moet geestelijk verstaan worden met opzicht op de zielen der uitverkorenen en de zaligmaking van deze: zodat dezelfde betrekking, welke gevonden wordt tussen schapen, welke onredelijke dieren zijn en den herder, die een mens is, ook naar den mens plaats heeft tussen mensen en God.
In de eerste plaats is dit ene verklaring der gelijkenis, gene schapen zijn hier bedoeld, maar gij, die mensen zijt (vgl. Hoofdst 36, 37, 38), uw herder is uw God. Maar zodanige verklaring ware niet nodig geweest, en de Heere zou ze er niet hebben bijgevoegd, wanneer Hij niet onder deze schijnbaar weinig beduidende vormen iets anders had willen zeggen: 1). wordt daarmee aangeduid de algemeenheid der genade, dewijl niet de kinderen Israëls, maar mensen (Adam, de mensheid) als schapen der kudde worden genoemd. De gelijkenis reikt verder dan de enge grenzen van het volk van Israël en geldt nu hier voor de mensheid in het algemeen. Het nieuwe Paradijs, onder den nieuwen David plant de Heere niet alleen voor Israël, maar-gelijk het eerste paradijs, voor de gehele mensheid. 2) De grootheid der genade wordt daardoor kenbaar, dat Israël niet wordt genoemd met den eernaam, die zijne genadige verkiezing aanduidt, maar met den algemenen naam "mens", die aan stof, zonde en dood herinnert. Zulk ene zamengetrokkene rede, die met weinig veel, in het eenvoudige ene volheid van gedachten, van grote gedachten bevat, noemt men geestvol. En het woord van den Geest aller geesten zou niet geestvol wezen! Dit slotwoord drukt het zegel op de profetie van dit ganse hoofdstuk, zodat het een woord Gods van algemene geldigheid voor alle mensen van alle toekomende tijden bevat.
Met welk een genoegen lezen wij hier van dat opzoeken van den Opperherder en van dat wederbrengen, van dat voeren in grazige weiden en leiden aan zeer stille wateren, van dat verbinden en sterken der kranken en zwakken, en van het verdelgen dergenen, die, trots op hun rijkdommen, anderen overheersten en onderdrukten, en van de herstelling van den onderlingen vrede en welvaart, die door machtigen en baatzuchtigen benadeeld en verwoest waren. Dat was ene hartsterking voor nooddruftigen en ellendigen in Ezechiëls dagen, en dat is en blijft het nog voor onze dagen. Gelukkig, indien wij maar tot die behoeftigen van harte behoren; die de voorwerpen van Gods bijzonder en gunstrijk aandenken zijn; de Heere heeft het gezegd, dat Hij op deze zien wil en Zijne hand tot deze kleinen wenden zal. Al is het dan, dat de herders aan huurlingen, aan dieven en moordenaars gelijk zijn, zo als onze Heere dit: Johannes 10 heeft gezegd, genoeg als de Opperherder het oog op ons houdt en wij in Zijne liefde en gunst voor eeuwig zijn opgenomen. En zullen wij dit voorrecht niet bijzonder waarderen, wanneer wij ten laatste zien op dien Herder, welke ons door den Vader gegeven is, namelijk Jezus Christus, onzen Heer? Op Hem wees Ezechiël in Jehova's naam zijne tijdgenoten als op enen tweeden of tegenbeeldigen David, onder wiens bestuur de allergewenste vrede en zegen zouden genoten worden, welke zinnebeeldig van stoffelijke voorwerpen ontleend worden voorgesteld, maar geestelijk moesten worden opgevat; op Hem wijst het Woord der vervulling, gelijk de eerste Evangelietijd ene schets van die uitnemende zegeningen oplevert, en heeft de Heere het dan aan Zich zelven voorbehouden om den zegen des Geestes op Zijnen tijd uit te storten, dan verbeiden wij Hem in het geloof, en blijven maar aanhouden in een vurig gebed; de vrucht, die wij aanschouwen, erkennen wij als een werk van Zijne handen, de vijanden zullen gewis verdreven worden en de Gods kerk zal een plantsoen wezen, den naam des Heeren tot roem en heerlijkheid. Dat waren de heerlijke tijden, welke de Heere heeft beloofd, alzo zullen de dagen des Nieuwen verbonds eens gewis worden. Houden wij ons daarom maar aan het slot dezer belangrijke Godsspraak, zoals de Heere dat ook Zijn aloude volk heeft ingeprent. Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen, maar Ik ben uw God, spreekt de Heere Heere. Als de Heere zelf ons voor Zijne schapen verklaart, en ons zegt, waarvoor wij ons zelven, in tegenstelling van Hem zelven te houden hebben, dan ligt daarin ongetwijfeld opgesloten, dat wij onwaardige, zwakke en feilbare mensen zijn, maar Hij een gaarne vergevend, alvermogend en onveranderlijk God, machtig en gewillig om al Zijne gedane beloften en heerlijke uitzichten, hoe schijnbaar ook onmogelijk, te vervullen; dan wil Hij dit, opdat wij op de rechte wijze over ons zelven, en over Hem, die onze Heere en Heiland is, zouden denken, ons vertrouwen geheel en alleen op Zijne genade zouden vestigen; en dan spreekt Hij alzo met een Goddelijken nadruk, welke krachtig op ons gemoed kan werken tot onze lering, leiding en vertroosting op het hobbelige levenspad. 31. Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide! gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE. Met dit woord gaat de Heere verder dan Israël, en belooft ten slotte aan de gehele mensheid, waarvan in Openbaring 1 sprake is, den nieuwen hemel en de nieuwe aarde (2 Petrus 3:13).
Deze woorden, het slot van het hoofdstuk zijnde, verklarende de overdrachtelijke manier van spreken (metaphora), welke door het gehele kapittel gebruikt is, dat hetgeen van schapen en herders gezegd was, verstaan moest worden van mensen en van degenen, die gezag over hen hadden, en in `t bijzonder van Gods volk, waarvoor Hij zorge draagt, gelijk een herder voor zijne kudde. Zie Hoofdstuk 36:38. Psalm 80:2.
Al `t geen gezegd is moet geestelijk verstaan worden met opzicht op de zielen der uitverkorenen en de zaligmaking van deze: zodat dezelfde betrekking, welke gevonden wordt tussen schapen, welke onredelijke dieren zijn en den herder, die een mens is, ook naar den mens plaats heeft tussen mensen en God.
In de eerste plaats is dit ene verklaring der gelijkenis, gene schapen zijn hier bedoeld, maar gij, die mensen zijt (vgl. Hoofdst 36, 37, 38), uw herder is uw God. Maar zodanige verklaring ware niet nodig geweest, en de Heere zou ze er niet hebben bijgevoegd, wanneer Hij niet onder deze schijnbaar weinig beduidende vormen iets anders had willen zeggen: 1). wordt daarmee aangeduid de algemeenheid der genade, dewijl niet de kinderen Israëls, maar mensen (Adam, de mensheid) als schapen der kudde worden genoemd. De gelijkenis reikt verder dan de enge grenzen van het volk van Israël en geldt nu hier voor de mensheid in het algemeen. Het nieuwe Paradijs, onder den nieuwen David plant de Heere niet alleen voor Israël, maar-gelijk het eerste paradijs, voor de gehele mensheid. 2) De grootheid der genade wordt daardoor kenbaar, dat Israël niet wordt genoemd met den eernaam, die zijne genadige verkiezing aanduidt, maar met den algemenen naam "mens", die aan stof, zonde en dood herinnert. Zulk ene zamengetrokkene rede, die met weinig veel, in het eenvoudige ene volheid van gedachten, van grote gedachten bevat, noemt men geestvol. En het woord van den Geest aller geesten zou niet geestvol wezen! Dit slotwoord drukt het zegel op de profetie van dit ganse hoofdstuk, zodat het een woord Gods van algemene geldigheid voor alle mensen van alle toekomende tijden bevat.
Met welk een genoegen lezen wij hier van dat opzoeken van den Opperherder en van dat wederbrengen, van dat voeren in grazige weiden en leiden aan zeer stille wateren, van dat verbinden en sterken der kranken en zwakken, en van het verdelgen dergenen, die, trots op hun rijkdommen, anderen overheersten en onderdrukten, en van de herstelling van den onderlingen vrede en welvaart, die door machtigen en baatzuchtigen benadeeld en verwoest waren. Dat was ene hartsterking voor nooddruftigen en ellendigen in Ezechiëls dagen, en dat is en blijft het nog voor onze dagen. Gelukkig, indien wij maar tot die behoeftigen van harte behoren; die de voorwerpen van Gods bijzonder en gunstrijk aandenken zijn; de Heere heeft het gezegd, dat Hij op deze zien wil en Zijne hand tot deze kleinen wenden zal. Al is het dan, dat de herders aan huurlingen, aan dieven en moordenaars gelijk zijn, zo als onze Heere dit: Johannes 10 heeft gezegd, genoeg als de Opperherder het oog op ons houdt en wij in Zijne liefde en gunst voor eeuwig zijn opgenomen. En zullen wij dit voorrecht niet bijzonder waarderen, wanneer wij ten laatste zien op dien Herder, welke ons door den Vader gegeven is, namelijk Jezus Christus, onzen Heer? Op Hem wees Ezechiël in Jehova's naam zijne tijdgenoten als op enen tweeden of tegenbeeldigen David, onder wiens bestuur de allergewenste vrede en zegen zouden genoten worden, welke zinnebeeldig van stoffelijke voorwerpen ontleend worden voorgesteld, maar geestelijk moesten worden opgevat; op Hem wijst het Woord der vervulling, gelijk de eerste Evangelietijd ene schets van die uitnemende zegeningen oplevert, en heeft de Heere het dan aan Zich zelven voorbehouden om den zegen des Geestes op Zijnen tijd uit te storten, dan verbeiden wij Hem in het geloof, en blijven maar aanhouden in een vurig gebed; de vrucht, die wij aanschouwen, erkennen wij als een werk van Zijne handen, de vijanden zullen gewis verdreven worden en de Gods kerk zal een plantsoen wezen, den naam des Heeren tot roem en heerlijkheid. Dat waren de heerlijke tijden, welke de Heere heeft beloofd, alzo zullen de dagen des Nieuwen verbonds eens gewis worden. Houden wij ons daarom maar aan het slot dezer belangrijke Godsspraak, zoals de Heere dat ook Zijn aloude volk heeft ingeprent. Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen, maar Ik ben uw God, spreekt de Heere Heere. Als de Heere zelf ons voor Zijne schapen verklaart, en ons zegt, waarvoor wij ons zelven, in tegenstelling van Hem zelven te houden hebben, dan ligt daarin ongetwijfeld opgesloten, dat wij onwaardige, zwakke en feilbare mensen zijn, maar Hij een gaarne vergevend, alvermogend en onveranderlijk God, machtig en gewillig om al Zijne gedane beloften en heerlijke uitzichten, hoe schijnbaar ook onmogelijk, te vervullen; dan wil Hij dit, opdat wij op de rechte wijze over ons zelven, en over Hem, die onze Heere en Heiland is, zouden denken, ons vertrouwen geheel en alleen op Zijne genade zouden vestigen; en dan spreekt Hij alzo met een Goddelijken nadruk, welke krachtig op ons gemoed kan werken tot onze lering, leiding en vertroosting op het hobbelige levenspad.