20. Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijne wegen, o huis Israëls!
Om het misbruik van het bovenstaande troostwoord tot vals vertrouwen op eigene gerechtigheid te voorkomen, herhaalt Ezechiël de hoofdgedachten dier verkondiging; Hoofdstuk 18:20-32, en wel in de eerste plaats (Vers 12-16), de gedachte, dat den rechtvaardige zijne gerechtigheid geen nut doet, wanneer hij zich aan de ongerechtigheid overgeeft, en de goddeloze om zijne zonde niet zal sterven, wanneer hij zich van zijne boosheid bekeert en naar de gerechtigheid jaagt; alzo is het (Vers 17-20), ene terechtwijzing voor hen, die den weg des Heeren berispen.
Het grootste gevaar, dat uit het lijden kan voortkomen is dit, dat men daardoor omtrent zijn God begint te twijfelen; ene van de gewichtigste werkzaamheden der dienaren Gods is dus, dat zij in het lijden tot verstandig nadenken brengen. God is recht in al Zijne wegen, zo wijst de Profeet aan, een iegelijk klage over zijne zonde (Klaagliederen 3:39). Wie de zaligheid mist, doe niet, waartoe het onder de ellende zuchtende Israël zozeer geneigd is, hij klage God niet aan, die den rechtvaardige en dien, die zich van zijne zonden bekeert, steeds zegen toedeelt. Alleen de vroeger rechtvaardige, die zich van zijne gerechtigheid heeft afgekeerd, en de goddeloze, die zich niet wil bekeren, moeten onder het onheil bukken. De gedachten, hier uit Hoofdstuk 18 herhaald zijn van uitnemend gewicht; want een hart, dat door de ellende aan zijnen God begint te twijfelen, zal den weg der boete niet betreden, welke tot het wederkeren der zaligheid voorwaarde is; en de mens is al te zeer geneigd zijne schuld te verkleinen, en te menen dat God te hard met hem had gehandeld. Het kunnen gevoegelijk dezelfde personen zijn, die in Vers 10 v. menen, dat zij het te erg hebben gemaakt, en hier, dat God hun te veel heeft aangedaan. In zulke tijden van lijden komt de ene golf in plaats van de andere. Meer dan zes jaren waren er verlopen, sedert de Profeet het met dezelfde tegenspraak had te doen gehad (Hoofdstuk 8:1; 18:25), en het volk was nog gene schrede vooruit gekomen. Ezechiël en de heilige, almachtige God zelf, leert hier alle ouders, opvoeders en zieleherders, door zijn voorbeeld geduld en lankmoedigheid. En wij zouden niet nog veel meer geduldig zijn, Wanneer wij aan onze eigene zonden en aan het geduld gedenken, dat God met ons heeft; maar wij mogen bij dat alles niet moede worden over de ons toevertrouwde zielen te waken en ze te waarschuwen.
Ook hier spreekt de Heere God het weer zo treffend uit, dat God Zich Zelven zal verheerlijken in de behoudenis der rechtvaardigen, zowel als in het verderf van de goddelozen.
Hij maakt zalig, wie door het geloof tot Hem de toevlucht nemen met al hun ellenden en alle hun zonden, maar Hij verwerpt en verderft, die zich niet door Hem laten waarschuwen en het bloed des kruizes verachten.
21.
D. De voorzeggingen tegen buitenlandse volken, die wij in het met ene C. getekende deel van ons Profetische boek voorgesteld vinden, als een aanhangsel van het vorige deel B, onderscheiden zich reeds daardoor, dat zij niet bestemd waren tot openbare verkondiging, maar alleen tot schriftelijke optekening. Nu volgen de voorzeggingen van den tweeden tijd van Ezechiëls prediking. Deze zijn voorzeggingen na de verwoesting van Jeruzalem en nemen steeds hun uitgangspunt van het pas over het volk genomen gericht, hun einde hebben zij in de voleindiging der wegen Gods met zijn volk. Israël is nu vernietigd, rechtvaardig gestraft voor zijne zonde, toch zal het in zijne ellende tot erkentenis komen, en dan zal des Heeren genade, die hare trouw niet kan verloochenen, zich ontfermen en Israël ene toekomst bereiden, welke veel heerlijker is dan al het vroegere. "Het wonderbare, waarachtig grootse en Goddelijke der heerlijke voorzeggingen van dit deel onzen Boeks ligt in het contrast, waarin hare verkondiging tot het tegenwoordige staat. In het aangezicht des doods ademen de woorden van den Profeet slechts opstanding en leven. De diepste vernedering van het verbondsvolk, zijne schijnbare vernietiging is de weg tot ware grootheid, ja tot eeuwige heerlijkheid.
I. Vers 21-33. Spoedig nadat verwezenlijkt is, wat Ezechiël na zijne laatste dreiging aan Israël door den Heere is voorzegd, vóórdat hij voor zijn volk moet verstommen, en alleen profetieën tegen de buitenlandse volken ontving, en het nu met deze verwezenlijking de mond weer werd opengedaan, om niet meer te verstommen (Vers 21, 22), wordt hem een eerste woord Gods ten deel, dat eensdeels voor het volk anderdeels voor hem zelven bestemd is. Bij het volk zal hij nu overeenkomstig zijne roeping tegen den waan moeten strijden, alsof het met Israël ondanks het nu begonnen gericht over Jeruzalem toch zo erg niet stond, en integendeel zijn lot gemakkelijk en spoedig weer ten goede zon worden gekeerd. De natuurlijke mens toch heeft in `t geheel geen lust om boete te doen, zodat ook daar, waar God luide en krachtig genoeg daartoe dringt, hij toch de kracht van Zijne roeping tot boete door allerlei voorspiegelingen voor het eigen hart zoekt te verzwakken. Zo zal Ezechiëls doel nu zijn, het volk te verwijten, hoe wel verdiend en daarom ook hoe ernstig gemeend het begonnen strafgericht was (Vers 23-29). Voor hem zelven is het echter ook nodig een gevaar van zelfmisleiding te vermijden; want wanneer hij nu, zoals het in `t vervolg zijne roeping is, aan het volk het toekomstige heil en de latere herstelling van Israël zal verkondigen, zo zullen de mensen zich in gehele menigten bij hem bevinden, en zijne woorden aanhoren als een lieflijk lied, als de schone dichting van enen zanger, maar omtrent hetgeen, waarop het van hun zijde werkelijk aankomt, waar zij ook wezenlijk zegen van zullen hebben, is het hun evenwel nog altijd bij dit gaarne horen geen ernst, maar het is alleen het gekittel der oren, dat zij zoeken. Boete doen en den Heere erkennen zal Israël eerst, wanneer het toekomstige heil tot werkelijkheid wordt, en zo zal Ezechiël, gelijk hij zich vroeger niet door gebrek aan een gezegend gevolg van zijne prediking moet laten afhouden, om zijn ambt waar te nemen, zo moest hij zich ook nu niet door den schijn van vrucht laten misleiden, als ware het doel reeds in der daad bereikt, hij moest integendeel op dat ene zijn oog vestigen: zij moeten ervaren, dat een Profeet onder hen geweest is (Vers 30-33).