Ezechiël 33:10-20
Deze verzen behelzen in hoofdzaak wat wij reeds gehad hebben Hoofdstuk 17:20, enz. zij bevatten een verklaring van de verhouding, waarin de mens tot God staat (gelijk de vorige van de verhouding van predikanten tot God). Geen wonder dus, dat ze hier wordt herhaald als gene, ofschoon wij de hoofdinhoud reeds gehad hebben.
Merk hier op,
I. De tegenspraak van het volk tegen Gods handeling met hen. God twistte nu, in Zijn voorzienigheid met hen, maar hun onbesneden harten waren nog niet verootmoedigd, al bracht het hen tot nadenken over God. Op twee dingen drongen zij, in hun verwijt aan God, aan, en in beide deden zij ongerechtigheid tot hun zonde toe, en ellende tot hun straf
1. Zij maakten aanmerking op Godsbeloften en gunsten, als ware daarin geen vriendelijkheid of oprechtheid, vers 10. God had hun het leven voorgesteld, maar zij beweerden, dat Hij het buiten hun bereik had gezet, en daarom spotten zij als zij ervan spraken. De profeet had enige tijd tevoren gezegd, Hoofdstuk 24:23 :Gij zult in uw ongerechtigheden versmachten. Met dat woord had hij zijn bedreiging tegen Juda en Jeruzalem besloten, en daarover twistten zij nu met hen, als had hij in volstrekten zin gesproken om hen tot wanhoop te drijven. En toch had de profeet voorwaardelijk gesproken om hen tot boete te brengen. Zo worden de woorden van Gods dienaren verdraaid door mensen met een verdorven verstand, die gaarne twist zoeken. Hij opent voor hen hoop op leven en geluk, en nu willen ze Hem op tegenspraak met zichzelf betrappen, want, zeggen ze. "dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, zo als Gij van ons hebt gezegd, en wij moeten daarin versmachten, en in nutteloos berouw een ellendige ballingschap ondergaan, hoe zouden wij dan leven? Indien dat ons lot is, dan is er niets aan te doen. Wij sterven, wij vergaan, wij allen vergaan". Zie, het is zeer gewoon, dat degenen, die zich hooghartig verharden, wanneer zij tegen de zonde gewaarschuwd worden, wanhopig worden als men hen tot bekering roept en dan besluiten, dat er voor hen toch geen hoop meer is.
2. Zij twistten met bedreigingen en oordelen, als ware daarin geen billijkheid of rechtvaardigheid. Zij zeiden: De weg des Heren is niet recht, zie Hoofdstuk 17:20, als om te zeggen: de Heere is partijdig in Zijn handelen, Hij neemt de persoon aan, en Hij is strenger tegen zonde en zondaars dan zij verdienen.
II. Hier wordt op deze tegenwerpingen behoorlijk, afdoend antwoord gegeven.
1. Hun, die wanhoopten of God hun nog genade wilde bewijzen, wordt geantwoord met een plechtige verklaring, dat God bereid staat hun barmhartigheid te betonen, vers 11. Toen zij spraken van in hun zonden te versmachten zond God de profeet tot hen, zich haastende om hun te verkondigen, dat, hoewel hun toestand droevig was, er toch nog geen reden tot vertwijfeling, maar nog hoop voor Israël was.
a. Het is zeker, dat "God geen lust heeft in de dood des goddelozen, dat Hij die niet begeert". Indien hij de weg des verderfs toch niet verlaten wil, zal God in zijn straf verheerlijkt worden, maar heeft er daarom geen lust in. Hij begeert, dat zij zich bekeren en leven, want Zijn goedheid gaat het al te boven, Zijn goedheid duurt in eeuwigheid. Hij ziet liever, dat zondaars zich bekeren en leven dan dat zij voortgaan en sterven. Hij heeft dit gezegd en gezworen, opdat wij "in deze twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, Hebreeën 6:18. Wij hebben Zijn woord en Zijn eed, en wijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelf", Hebreeën 6:13 :Zo waarachtig als Ik leef. Zij trokken in twijfel, of zij zouden leven, al hadden zij berouw en bekeerden zich. Ja, zegt God, zo waarachtig als Ik leef, ware boetvaardiger zullen leven, want hun leven is met Christus verborgen in God.
b. Zeker is God oprecht, en spreekt Hij in volle ernst, als Hij zondaars tot bekering roept: "Bekeert u, bekeert u van uw verkeerde weg." Berouw hebben is van zijn verkeerde weg terugkeren, dit vraagt God van de zondaars, dit wil God, dat de zondaars doen, daartoe roept Hij herhaaldelijk en dringend op: "Bekeert u, bekeert u. O, dat gij u liet overhalen om u te bekeren, spoedig u te bekeren, u zonder uitstel te bekeren! Dit zal Hij hen leren doen, indien zij hun handelingen aanstellen om zich tot hun God te bekeren," Hosea 5:4. Want Hij heeft gezegd: "Ik zal Mijn Geest ulieden overvloedig uitgieten," Spreuk. 1:23. Daarin wil Hij hen aannemen, want dat is niet alleen wat Hij beveelt, maar waartoe Hij dringend aanhoudt.
c. Het is zeker, dat, zo zondaars omkomen, het door hun eigen schuld is, zij sterven omdat zij sterven willen, en daarin handelen zij allerdwaast en alleronredelijkst. "Waarom wilt gij sterven, o huis Israëls?" God had naar hen willen horen, maar zij wilden niet gehoord worden.
2. Zij, die er aan wanhoopten bij God rechtvaardigheid te vinden, worden hier beantwoord met een plechtige verklaring van de regel, die God volgt ten opzichte van de kinderen van de mensen, welke regel in zich het bewijs harer billijkheid draagt, iedereen kan dat duidelijk proeven. De Joodse natie was nu, als natie, dood, ze was in elk opzicht ondergegaan. De profeet handelt nu met ieder persoonlijk, en de rechte regel voor ieder gelijkt zeer veel op die voor het gehele volk, Jeremia 18:7-10. Indien God aangaande het volk spreekt van bouwen en planten, en het handelt goddelooslijk, dan herroept Hij Zijn beloften van gunst te bewijzen en laat het aan het verderf ten prooi. Maar als Hij spreekt van uitroeien en verdelgen, en het doet boete, dan herroept Hij Zijn vonnis en verlost het volk. Zo gaat het ook hier. In het kort, de uitnemendste belijders zullen, indien zij afvallen, in die afval van God zeker voor eeuwig vergaan, en de grootste zondaars zullen, zo ze zich bekeren, in hun terugkeer tot God gewis voor eeuwig zalig worden. Dit wordt hier telkens en telkens weer herhaald, omdat het gedurig weer bedacht en overwogen en aan onze harten gelegd moet worden. Dit moest noodzakelijk aan dat dwaze, verstandeloze volk, dat zei: "De weg des Heren is niet recht," ingeprent worden, want deze rechtsregels zijn zo klaarblijkelijk rechtvaardig, dat ze geen andere bevestiging behoeven dan gedurige herhaling.
A. Indien zij, die hun godsdienst luide beleden hebben, die belijdenis verloochenen, de rechte wegen Gods verlaten en vleselijk, zinnelijk en werelds worden, dan baat hun de vroegere belijdenis en al hun vroegere godsdienst, waarmee zij die belijdenis bevestigden, niets. Zij zullen zeker in hun ongerechtigheid sterven, vers 12, 13, 18.
a. God zegt tot de rechtvaardige, dat hij zeker zal leven vers 13. Hij zegt het door Zijn woord en laat het herhalen door Zijn dienaren. Hij, die godzalig leeft, diens eigen hart zegt hem, en zijn naasten zeggen hem, dat hij zal leven. Zulk een mens kan niet anders dan gelukkig zijn. En zeker zal hij, als hij in zijn gerechtigheid volhardt, oprecht en in waarheid, niet in schijn, alleen maar in werkelijkheid leven, als hij in de liefde Gods blijft, zal hij in die liefde eeuwig gelukkig zijn. b. Rechtvaardigen, die voor zichzelf en voor wie anderen goede hope hebben, verkeren toch in gevaar tot ongerechtigheid te vervallen, indien zij op hun gerechtigheid vertrouwen. Dat geval wordt hier verondersteld: "Indien hij op zijn gerechtigheid vertrouwt en onrecht doet, in de zonde gaat wandelen, niet alleen een mistred doet, maar zich afkeert en daarin voortgaat". Zo kan het met een rechtvaardige gaan, en is het gevolg van zijn vertrouwen op zijn eigen gerechtigheid. Zie, uitstekende belijders zijn afgevallen door een hoogmoedige verwaandheid en vertrouwen op zichzelf. Zij steunden op de verdienste hunner eigen gerechtigheid en meenden, dat zij God reeds tot hun schuldenaar gemaakt hadden, zodat zij het nu wel wagen konden, onrecht te doen, want hun gerechtigheid bedekt dat onrecht wel. Zij meenden, dat slechte daden na hun bekering geen gevaar opleverden, omdat zij daartegenover zo veel goeds in de weegschaal konden leggen. Of: zij vertrouwden op de kracht hunner eigen gerechtigheid en achtten zich zo wel bevestigd op de weg van de godzaligheid, dat zij zich aan elke verzoeking konden wagen en onkwetsbaar waren, juist door deze overmoed kwamen zij ten val. Door zich tegen de zonde verzekerd te wanen, werden zij in de diepte van de hel neergetrokken. Dit was het ongeluk van de Farizeeën: zij vertrouwden van zichzelf rechtvaardig te zijn, en meenden, dat hun lange gebeden en hun twee maal per week vasten, goed zou maken, dat zij van de weduwen huizen opaten.
c. Indien de rechtvaardige zich aan onrecht overgeeft en niet tot zijn gerechtigheid wederkeert, hij zal zeker in zijn ongerechtigheid omkomen en al zijn gerechtigheid, die hij vroeger heeft gedaan, al zijn gebeden en aalmoezen zullen vergeten worden. Er zal geen melding van gemaakt noch gedachtenis van gehouden worden, al zijn goede werken zijn van de vergetelheid prijs gegeven, of ze nooit gedaan waren. De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden van Gods toorn, van de vloek van de wet, ten dage van zijn overtreding. Wanneer hij een verrader, een opstandeling wordt, en de wapens opvat tegen zijn Vorst, dan zal het hem niet baten, of hij al pleit op zijn voormalige bouw en goede diensten. Neen, hij zal niet kunnen leven. De gedachtenis van zijn vroegere gerechtigheid zal geen voldoening geven noch aan de goddelijke rechtvaardigheid noch aan zijn eigen consciëntie, ten dage als hij zondigt, maar veeleer de zonde en dwaasheid van zijn afval nog verzwaren. En daarom, in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven, vers 13. En wederom, vers 18, Hij zal daarin sterven, en dat door eigen schuld.
B. Zo degenen, die een goddeloos leven geleid hebben, berouw hebben en zich bekeren, hun goddeloze wegen verlaten en godsdienstig worden, dan zullen hun zonden vergeven worden, zij worden gerechtvaardigd en gered, zo zij in die nieuwen weg volharden.
a. God zegt tot de goddeloze: "Gij zult zeker sterven." De weg, die gij bewandelt, leidt tot het verderf. De bezolding van de zonde is de dood, en uw ongerechtigheid zal uw ondergang zijn. Tot de rechtvaardige wordt gezegd: Gij zult zeker leven, om hem te bemoedigen om voort te gaan, en te volharden in de weg van de gerechtigheid, maar hij maakte er een verkeerd gebruik van en verstoutte zich, om onrecht te doen. Tot de goddeloze wordt gezegd: Gij zult zeker sterven, om hen te waarschuwen, niet voort te gaan in zijn goddeloze wegen, hij maakt daarvan een goed gebruik en laat zich vermanen, tot God terug te keren en recht te doen. Zo zijn bedreigingen voor sommigen, door Gods genade, "een reuk des levens ten leven," terwijl zelfs de beloften voor anderen, door hun eigen verdorvenheid, "een reuk des doods ten dode" worden. Wanneer God tot de goddeloze zegt: Gij zult zeker sterven, voor eeuwig sterven, dient dat om hem te verschrikken, niet om zijn verstand te benevelen, maar om zijn zonden te verlaten. b. Menig goddeloze snelt zijn verderf tegemoet, maar wordt er nog door de genade Gods toe gebracht, tot God terug te keren en boete te doen en een heilig leven te beginnen. Hij bekere zich van zijn zonde, vers 14, vastbesloten, niets meer met haar te doen te hebben, en, ten bewijze van zijn berouw over zijn begane kwaad, geeft hij het pand weer, vers 15, dat hij onbarmhartig van de armen genomen had, hij betaalt het geroofde, dat hij wederrechtelijk de rijken ontnomen had. Niet alleen doet hij geen onrecht meer, maar leert ook recht en gerechtigheid te doen en legt er zich op toe, voor God en mensen zijn plicht te volbrengen-een grote verandering, daar hij, een wijle tevoren, God niet vreesde en geen mens ontzag. Maar zulke wonderlijke en gezegende veranderingen zijn door de macht van de goddelijke genade gewrocht. Die eerst op paden des doods wandelde en verwoestte, wandelt nu in de geboden des levens, in de weg van Gods inzettingen, die zowel het leven geven, Spreuk. 12:28, als het leven toezeggen Mattheus 19:17. En in deze rechte weg volhardt hij, zonder opnieuw ongerechtigheid te bedrijven, hoewel niet vrij van overblijvende zwakheid, toch niet onder de heerschappij van de zonde. Zijn berouw berouwt hem niet, hij keert niet weer tot de grove zonden van weleer.
c. Wie alzo boete doet en zich bekeert, zal het verderf, dat hij tegemoet snelde, ontkomen, en zijn vroegere zonden zullen geen hinderpaal zijn, dat God hem niet zou aannemen. Hij zal in zijn ongerechtigheid niet versmachten, als hij ze belijdt en laat, zal hij barmhartigheid verkrijgen. Hij zal zeker leven, hij zal niet sterven, vers 15. Wederom: Hij zal zeker leven, vers 16. En wederom, vers 19, Hij doet recht en gerechtigheid, hij zal daarin leven. Maar zal niet zijn ongerechtigheid tegen hem gedacht worden? Neen, hij zal er niet voor gestraft worden, vers 12 :Aangaande de goddeloosheid van de goddelozen, ofschoon die gruwelijk was hij zal om haar niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert. Wat nu zijn smart is geworden, zal niet zijn verderf worden. Nu er een diepe kloof gekomen is tussen hem en de zonde, zal er niet langer scheiding zijn tussen hem en God. Ja, zij zal hem zelfs niet verweten worden, vers 16 :Al zijn zonden zullen hem niet meer gedacht worden, noch als beletsel voor zijn vergiffenis noch als demper op zijn troost, noch om de heerlijkheid ook maar enigszins te verduisteren, die hem bereid is.
Neem dit alles samen en oordeel dan, of de weg des Heren niet recht is, of hierdoor God niet wordt gerechtvaardigd, als Hij de zondaars verdelgt, en verheerlijkt, als Hij boetvaardiger zalig maakt. Het besluit van de gehele zaak is vers 20 :O, huis Israëls, of schoon gij nu allen in de algemene ellende begrepen zijt, er zal onderscheid gemaakt worden in geestelijke en eeuwige zin: Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen. Al zijn allen, goeden en bozen, in gevangenschap gezonden, goede en kwade vissen in hetzelfde net, toch zal Hij scheiding maken tussen wat kostbaar en wat niets waard is, en een ieder vergelden naar zijn werken. Dus is Gods weg recht en onberispelijk, maar, wat de kinderen uws volks betreft God geeft ze over aan de profeet, gelijk Hij eens Mozes gedaan had Exodus 32:7. "Zij zijn uw volk, Ik kan ze nauwelijks de Mijne noemen." Wat hun aangaat, hun wegen zijn onrecht, de weg, waarin zij met God en Zijn profeten twisten, is onredelijk en dwaas. In al dit spreken van God met Zijn schepselen zal zeker aan het licht treden, dat Hij gelijk heeft en zij ongelijk hebben.