Ezechiël 33:30-33
De voorgaande verzen dienden tot overtuiging van de Joden, die in het land Israëls gebleven waren, als gedenktekenen van Gods sparende barmhartigheid, en toch niet tot de Here terugkeerden. In deze verzen worden zij bestraft, die nu in gevangenschap in Babel verkeerden, door God getuchtigd maar zonder zich te bekeren. Zij worden wel niet beticht met dezelfde grove zonden als de anderen. Zij vertoonden nog enige godsdienst en vroomheid, maar hun harten waren niet recht voor God. Zij worden hier beschuldigd, met de profeten des Heren te spotten, één van de zonden, die de maat vol maakten, die deze jammer ook hun bracht, terwijl ze er toch niet door gebeterd werden. Op tweeërlei wijze spotten zij met de profeet Ezechiël.
I. Door lasterlijke, boosaardige gedachten over hem, onder elkaar geuit, terwijl zij hem op allerlei manier verachtelijk zochten te maken. De profeet wist dit niet, maar dacht in zijn argeloosheid, dat zij, die in zijn aangezicht zo mooi praatten, en hem zozeer schenen te eren en te ontzien, achter zijn rug zeker geen kwaad van hem zouden spreken. Maar God komt hem mededelen, o mensenkind, de kinderen uws volks, die spreken steeds van u, vers 30, of, tegen u, en ongetwijfeld niet veel goeds. Zie, openbare personen worden gewoonlijk door iedereen besproken, elkeen neemt de vrijheid, hen onbeschroomd te beoordelen. Getrouwe predikanten weten niet, hoeveel kwaad iedere dag van hen wordt gezegd, en dat is goed ook, als zij het wisten, zou het hen kunnen ontmoedigen en hun arbeid bemoeilijken. Maar God geeft acht op hetgeen tot hun nadeel wordt gezegd, niet alleen op hetgeen tegen hen wordt besloten of gescholden, niet alleen op wat men tegen hen schrijft of op plechtige toon spreekt, maar ook op wat in meer huiselijke of intieme kring, tussen buren als zij elkaar ontmoeten, bij de wanden en in de deuren van de huizen gepraat wordt. Daar kan men nog vrijer zich uiten, maar wat men hun ook verwijt of waarmee men hun ook belastert, God hoort het en houdt eens afrekening. Zijn dienaren blijven niet altijd het voorwerp van de spot van de goddelozen. Zij konden de profeet van geen misdaad beschuldigen, maar zij spraken gaarne van hem op een lichtzinnige, spottende, gekscherende toon: zij zeiden schertsende: "Komt toch en hoort wat het woord zij, dat van de Here voortkomt. Misschien is er wat nieuws of onderhoudende in, dat wat te praten geeft." Zij, zij hebben het ver in heiligschennis gebracht, die wat zo'n onwaardeerbaar voorrecht en zo dure plicht is, het prediken van en het horen naar Gods Woord, een voorwerp van vermaak en ontspanning achten, of in onderlinge gesprekken of zelfs in `t openbaar. Ernstige dingen dienen ook ernstig besproken te worden.
II. Door hem te misleiden, wanneer zij naar zijn woord kwamen luisteren. Huichelaars spotten met God en met Zijn profeten. Maar hun huichelarij ligt bloot voor God, en de dag nadert, dat Hij ze zal openbaar maken. Let hier op,
1. De aannemelijke belijdenis, die deze mensen afleggen, en de nauwkeurigheid hunner beweringen. Zij zijn gelijk degenen, Mattheus 15:8 die God naderen met hun mond en Hem eren met hun lippen, maar hun hart is verre van Hem.
a. Zij woonden vlijtig en aanhoudend de openbare eredienst bij: zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, vers 31. In Babel hadden zij geen tempel of synagoge, maar gingen naar het huis van de profeet, Hoofdstuk 8:1, waarschijnlijk vierden zij daar ook hun nieuwe manen en hun Sabbaten en godsdienstige verrichtingen, 2 Koningen 4:23.. Wanneer de profeet gebonden was, was het woord des Heren, niet gebonden, en het volk, wanneer hun ziel niet ontving wat ze wensten, was dankbaar voor wat het had, het was nog een verademing in hun ballingschap. Nu kwamen deze huichelaars, gelijk het volk placht te komen, even trouw en even vroeg als de oprechte hoorders. Dat er staat, dat zij kwamen gelijk het volk placht te komen, schijnt te betekenen, dat de reden van hun komen was de gewoonte van anderen om te komen, zij kwamen niet uit behoefte, maar om de gezelligheid, fatsoenshalve en onder hun landgenoten. Zie, degenen, in wier hart geen beginsel van liefde is tot Gods geboden, tonen toch soms uiterlijke gehoorzaamheid. Kaïn bracht de Here evenzeer een offer als Abel, en de Farizeër ging even goed naar de tempel op om te bidden als de tollenaar.
b. Zij gedroegen zich in die openbare samenkomsten zeer eerbiedig en betamelijk, geen van hen zat te fluisteren of te lachen of rond te kijken of te slapen. Zij zitten voor uw aangezicht als mijn volk, met alle tekenen van ernst en oprechtheid en heilbegerigheid. Zij blijven de gehele dienst uit, zonder vermoeidheid, zonder tekenen van ongeduld over de "lange duur van de preek".
c. Zij zijn zeer oplettend bij de prediking van het Woord. Zij denken niet aan iets anders, maar zij "horen uw woorden en geven acht op wat gij zegt".
d. Zij toonden grote eerbied en vriendelijke gezindheid jegens de profeet. Hoewel zij achter zijn rug geen goed woord voor hem hebben, maken zij, in zijn tegenwoordigheid, liefkozingen met hun mond, zij geven blijk van grote bezorgdheid in zijn persoon, dat hij zich met prediken niet te zeer vermoede of zich aan de Chaldeën blootstelle, want zij willen voor zijn beste vrienden en welgezinden doorgaan.
e. Zij horen zijn woord, naar het schijnt, gaarne, zij hebben een lust aan de kennis van Gods wegen, Jesaja 58:2. Herodes hoorde Johannes de Doper gaarne, Markus 6:20. Gij zijt hun als een lied van de minne. De inhoud van Ezechiëls woord was verrassend, zijn taal beschaafd, zijn uitdrukkingen welgekozen, zijn vergelijkingen juist en gepast, zijn stem en zijn voordracht aangenaam, zodat zij met evenveel genoegen naar zijn preek konden zitten luisteren (om de taal van onze tijd te gebruiken), als zij een toneelstuk of een opera of een concert gingen horen. Ezechiël was hun als een, die schoon van stemme is, of die wel speelt. Zie, de mens wordt wel eens gestreeld door het kwaad, terwijl hun gemoed niet geroerd en hun consciëntie niet geraakt wordt, noch hun hart veranderd, het oor hoort gaarne maar de bedorven natuur blijft onveranderd.
2. De huichelarij van deze belijdenis en uiterlijke schijn, want schijn is het, meer niet.
a. Zij koesteren geen hartelijke genegenheid voor Gods Woord. Zij tonen wel veel liefde, maar alleen met de mond, terwijl hun hart hun geldgierigheid nawandelt. Zij hebben de wereld even lief als vroeger en gaan nog evenzeer in haar op. Het Woord te horen is hun alleen uitspanning en amusement, nu en dan voor een paar uren. Maar hun hoofdzaak is toch hun hoeve of koopmanschap of bedrijf, de liefde en genegenheid huns harten gaat daarnaar uit, hun binnenste gedachten houden zich daarmee bezig. Zie, geldgierigheid is de verdervende zonde van duizenden, die de godzaligheid belijden, de liefde van de wereld verteert in hun gemoed langzaam aan de liefde Gods. De zorgvuldigheden van deze wereld en de verleiding des rijkdoms zijn de doornen, die het zaad onvruchtbaar maken. Dezulken behagen Gode niet noch winnen er voor zichzelf iets bij, wanneer zij wel Gods woord horen, maar terwijl hun eigene zaken najagen. God ziet het hart aan dergenen, die zo doen.
b. Zij onderwerpen er zich niet aan. Zij horen uw woorden, maar meer dan horen is het niet, want zij doen ze niets, vers 31. En wederom, vers 32, zij doen ze niet. Zij verkiezen door hetgeen de profeet zegt niet overtuigd te worden, noch door zijn gezag, noch door zijn argumenten, zichzelf het kruis op te leggen, hun boezemzonde te laten varen, of zich aan hun plicht te wijden, gaat hun tegen vlees en bloed. Zie, er zijn er velen, die het woord gaarne horen, maar er niet aan denken, het te doen, zo bouwen zij op zand en bedriegen zichzelf.
3. Laat ons zien, wat hiervan het einde zal zijn. Zal hun ongeloof en zorgeloosheid het woord van God teniet doen? Geenszins.
a. God zal des profeten woord bevestigen, of schoon zij het verachten en het niet tellen, vers 33. Wat hij zegt, zal geschieden, en geen jota of tittel zal op de aarde vallen. Zie, de vloek van de wet, al spot onheilige gerechtigheid daarmee, kan niet verijdeld worden.
b. Zij zelf zullen hun dwaasheid betreuren, wanneer het te laat is. Wanneer het geschiedt, zullen zij weten, tot hun schade weten, tot hun beschaming weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is, ofschoon zij er niet meer acht op sloegen dan om de schone stem. Zie, zij, die niet bedenken, dat er een profeet in hun midden is en de dag hunner bezoeking, zolang die duurt niet bekennen, zullen inzien, dat er inderdaad een profeet onder hen geweest is, maar dan zullen die dingen verborgen zijn voor hun ogen. De dag komt, dat ijdele en wereldse mensen andere gedachten koesteren dan zij nu hebben en het gewicht gevoelen van wat hun nu licht dunkt. Zij zullen weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is, als zij zien, dat de gebeurtenissen aan de voorspelling nauwkeurig beantwoorden, en de profeet zelf zal getuige tegen hen zijn, omdat hij hen heeft gewaarschuwd, maar zij er niet naar hebben willen luisteren. Wanneer Ezechiël zal heengegaan zijn, die zij nu tegenspreken, en er geen profeet meer zal zijn noch iemand, om hun aan te tonen hoe lang nog, dan zullen zij zich herinneren, dat er eens een profeet geweest Is, maar dat men naar zijn woorden niet heeft geluisterd. Zie, degenen, die de waarde van Gods barmhartigheid niet kennen, omdat zij er niet van begeerden te genieten, zullen er rechtvaardiglijk de waarde van leren inzien, als zij ze ontberen moesten, gelijk zij, die begeren zullen een an de dagen van de Zoon des mensen te zien, die zij nu niet achten, en zullen die niet zien.