32. Want, om het nogmaals te herhalen (
Vers 23), a) Ik heb genen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE, maar daarin, dat hij zich bekere en leve; daarom doet naar de u gegevene vermaning en belofte in
Vers 30, bekeert u en leeft. a)
Ezechiel 33:11.
De Profeet ontvouwt ons het wezen der Goddelijke gerechtigheid in haar heerlijkst licht. Alleen de onboetvaardige zondaar sterft weg in den dood der rampzaligheid: wie zich bekeert en doet wat in Gods ogen goed is, verneemt het genadewoord des levens; al het kwade, dat hij gedaan heeft, zal nimmermeer door de vergevende liefde worden gedacht.
Kan de mens zich een nieuw hart geven? Wanneer de mens de werking Gods in zich maar niet weerstreeft, zo werkt de Heere, die den dood des zondaars niet wil, maar wil dat hij zich bekere, zo werkt God in zijne ziel en geeft hem door Zijn woord en door Zijnen Geest kracht, dat de mens nu ook werken kan wat voor God welbehagelijk is. Want God is het, die in u werkt beide het willen en het volbrengen naar Zijn welbehagen. (Filippenzen 2:3, vgl. Ezechiel 11:19; 36:26).
Zo maakte David zich een nieuw hart, als hij bad, (Psalm 51:12), dat God het in hem wilde maken.
De liefderijke God ontmoet als het ware de ziel van den zondaar op den weg, die onder haren zondenlast ter helle gaat. Hoewel zij Hem niet wil kennen, zo kan Hij, gedrongen door liefde en medelijden toch niet nalaten Zich tot haar te wenden.
Al is het, dat namelijk de rechtvaardige zich afkeert van zijne rechtvaardigheid, en in zijne zonden sterft, zo merken wij op, dat de zodanige zich bewijst nimmer een rechtvaardige geweest zijn, dewijl de ogen, die zien, niet weer terugzien en des Heeren genadegiften onberouwelijk zijn. Meermalen komen toch de schijnheiligen, en die zich zelven rechtvaardig wanen, onder den naam van rechtvaardigen voor (Mattheus 9:13. Lukas 18:9, 14), gelijk ook geloof soms voor schijngeloof (Lukas 8:13. Handelingen 8:13), en liefde voor schijnliefde (1 Johannes 3:18) genomen wordt, zo willen wij voor ons zelven hieruit leren, dat gene vroomheid van den echten stempel is, waarin het geloof niet uit de bestendige oefening van ware godsvrucht blijkbaar is; wie toch volharden zal tot het einde toe, die zal zalig worden. Eindelijk leren wij hier het oog vestigen op het Goddelijk verlangen naar der zondaren bekering en op de ernstige vermaning tot deze. Niet Gods schuld is het, dat de zondaar verloren gaat, want wat er nodig is, om behouden te worden, dat staat ons alles van Zijnentwege in Zijn woord aangetekend, en wordt aldaar beloofd, gelijk Hij ook nooit gezegd heeft: zoek Zij te vergeefs! Indien dus dood en leven in deze profetische rede tegenover elkaar staan, indien er geen leven buiten de gerechtigheid des geloofs is, maar alles dood moet genoemd worden, dan geldt ook hier de vermaning van Mozes, die ook nog door Gods woord tot ons komt: "Kiest dan het leven, opdat gij levet, gij en uw zaad; " en ons zal het alleszins voegen, daarop onze harten te zetten en daartoe genade te zoeken in de ogen des Heeren. Is het toch, dat de bekering en het zoeken van een nieuw hart den mens als plicht hier wordt opgelegd, hoewel het elders als een werk Gods voorkomt (Jeremia 31:33, 32:32): dit geschiedt daarom, dewijl het onze plicht is, en wij daardoor leren des te dieper voor de genade te vallen, om alles bij den Heere te zoeken en van den Almachtige te verwachten, wat Zijn Geest alleen bewerken kan.