33. Maar als dat komt, wat gij voorzegt, (en zie, het zal komen! Israëls herstelling en verheerlijking zal even zeker komen, als Jeruzalems ondergang en Juda's vernietiging gekomen is), dan zullen zij weten dat er een Profeet in het midden van hen geweest is, en geen redenaar of lieflijk zanger of speler tot vermaking en onderhouding (
Hoofdstuk 2:5).
God had den Profeet bij zijne roeping (Hoofdstuk 2:3), door voorhouden van het doel en de verantwoordelijkheid zijner roeping, op de moeilijkheden van het volbrengen van het hem opgedragen ambt als wachter, opmerkzaam gemaakt, en hem vermaand, zich door het tegenstreven des volks niet op een dwaalspoor te laten brengen. Hier, bij het begin der tweede afdeling zijner werkzaamheid, richt Hij weer een woord persoonlijk tot hem, opdat hij in de verdere uitoefening van zijne roeping zich niet late leiden door hetgeen de mens wil. Toen zijne profetieën over Jeruzalem vervuld waren, moesten de ballingen, wier oudsten reeds vroeger tot hem waren gekomen, om Gods woord bij hem te vernemen (Hoofdstuk 14:1; 20:1). nog opmerkzamer op zijne woorden worden, zodat zij heimelijk en openlijk van hem spraken en elkaar opwekten om te komen en op zijne woorden te letten. Dit zegt God hem vooraf, maar tevens, dat deze geneigdheid zijner landslieden, om hem te horen, nog geen teken was van oprechte bekering tot Gods woord, opdat hij zich in zijne verwachtingen omtrent het volk niet bedroog.
Het spreken in Vers 30 is niet een vijandig, maar een welwillend spreken; men verheugt zich te midden der nationale verarming, in de voortreffelijke redenaarsgaven van den nieuwen klassieken man.
Het is bedenkelijk, als men de schoonheid der rede, der stem enz. bij enen redenaar prijst.
Uitwendig Gods woord te horen, daartoe geven de mensen zich nog wel, maar niet om het door Gods genade te beleven.
Zij prijzen alleen de welsprekendheid, om de zaak bekommeren zij zich niet.
Zij willen het woord van den Profeet slechts aanhoren als een schoon muziekstuk, om gekittel der oren en een aangenaam gevoel daarvan te hebben, en hem tot enen troubadour of minnezanger en enen bekwamen harpspeler vernederen, naar wien men gaarne tot zijn vermaak luistert. Maar "God speelt niet in Zijn Woord, opdat wij zouden dansen. " God beware de kerk voor ledige banken, maar nog meer voor stompe toehoorders, die alleen de zondagsklederen tonen, en in de kerk willen geweest zijn. "Zij horen slechts maar doen niet, " dat is een oud thema, dat gedurig nieuw is geworden; men verdringt elkaar tot de redenaars des Heeren in dichte hopen, prijst de schone voordracht, men hoort-doch zie het komt! Dan zullen zij te laat erkennen, dat Ezechiël niet uit hardheid heeft gesproken, maar zich een waar Profeet in hun midden betoont heeft.
Volgens sommige uitleggers is de zin van het slotwoord: "zij zullen tot hun smart ondervinden, dat een Profeet onder hen gevreest is, wanneer de aangekondigde genade begint, maar zij er van buiten gesloten worden, omdat zij tot gene boete zijn gekomen, " volgens anderen: "eerst wanneer de voorzegde zegen in werkelijkheid voor hun ogen staat, zullen zij berouw hebben en Mij erkennen. " Dit stemt overeen met Hoofdstuk 37 en Openbaring 1:11.
Hiermede verzekert God dat Hij het werk van Zijn Profeet zal bevestigen. Hetgeen Hij gezegd heeft zal zeker geschieden en geen jota of tittel zal op de aarde vallen. Zij zullen nog eenmaal wensen, naar het woord des Profeten gehoord te hebben, maar dan zal het te laat zijn.