27. Ten zelven dage zal uw mond, die van nu aan zal verstommen voor Israël, zodat gij voor langen tijd niets meer tot hen zult hebben te spreken, bij dien, die ontkomen is, opengedaan worden, en gij zultwat de Heere weer spreekt tot hen spreken, en niet meer stom zijn. Alzo zult gij hun u betonen een man te zijn, wiens spreken en handelen vol betekenis voor hen is, en alzo zult gij tot een wonderteken zijn, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, en zo tot kennis van den God huns heils komen (
Leviticus 26:40)
Ezechiël beeldt in de allersmartelijkste huiselijke ondervinding het lijden af, dat door God tot straf over Zijn volk wordt gebracht, waaraan hij als Profeet in de ballingschap en door sympathie persoonlijk in medelijden is verbonden. Men zou kunnen zeggen, dat een Christologisch Messiaans moment hier in den Profeet te voorschijn treedt-de Geest van Christus in hem (1 Petrus 1:11).
Hoe het onthouden van klachten en rouw over den ondergang van het heiligdom en van bloedverwanten moet worden verstaan, ziet men uit de tegenstelling: gij zult in uwe ongerechtigheden versmachten (Hoofdstuk 4:17. Leviticus 26:39). Alzo heeft men aan ene zo overmeesterende smart te denken, waarvoor gene tranen, gene klachten zijn, maar alleen diep inwendig zuchten over de zonden, die zulk een vreselijk ongeluk hebben veroorzaakt. Maar juist deze smart, die de krachten des lichaams verteert, terwijl die tot grondige erkentenis en tot berouw over de zonde leidt, leidt door berouw en boete ook tot wedergeboorte en vernieuwing des levens.
In Hoofdstuk 3:26 v. werd den Profeet gezegd, dat hij moest zwijgen en niet anders spreken, dan wanneer Hem de Heere den mond tot een woord Gods opent. En dat heeft Hij ook gedurende al die jaren van toen tot nu gedaan. Hij heeft niets anders gesproken, dan de enkele woorden Gods tussen 3:26, 24:24 meegedeeld, wanneer de Heere ze hem gaf. Maar nu, nadat hij in het voor ons liggend hoofdstuk de insluiting van Jeruzalem heeft voorgesteld als begonnen, en den uitslag heeft voorzegd, was er niet in de eerste plaats een woord Gods nodig, ten minste geen, dat tot Israël was gericht. Daarom moet hij nu totdat Jeruzalems verwoesting geëindigd is, geheel voor Israël verstommen en zwijgen; eerst het begin des gerichts zal hem weer den mond openen en dan natuurlijk tot profetische reden van anderen inhoud.
Gods Profeten worden nooit tot stilzwijgen gebracht dan tot wijze en heilige einden. En wanneer God hun de opening des monds weergeeft, zal het blijken, dat het tot Zijne ere was, dat zij voor een wijle tijds zwegen, opdat de mensen te zekerder en volkomener zouden weten, dat God de Heere is.
De Profeet verstomt, omdat nu niets meer te doen is, het lot is gevallen. Vroeger kon Israël nog tot nadenken worden gebracht, nu stond Nebukadnezar voor de poorten en de donderslagen des gerichts, die begonnen, spraken nu zelf. Vroeger was de zonde actief, nu had de passieve geschiedenis der zonde haar begin gevonden. Ene nieuwe periode voor de profetische rede kwam eerst, toen het ongeluk was begonnen, dat den bodem daartoe zou bereiden. De Profeet kan alleen met degene, die ontkomen is, spreken, in aansluiting van het bericht, dat deze zal brengen. Toch heeft het verstommen alleen betrekking op de vaderlandse omstandigheden, juist in den tijd van zwijgen ten hunnen opzichte ontwikkelde zich de voorzegging van den Profeet omtrent buitenlandse volken.