Mattheus 3:7-12
De leer, die Johannes predikte, was die der bekering, omdat het koninkrijk der hemelen nabij was, nu hebben wij hier het nut dezer leer. Toepassing is het leven der prediking, zo was het ook met de prediking van Johannes.
Merk op:
1. Op wie hij haar toepaste, op de Farizeeën en Sadduceeën, die tot zijn doop kwamen, vers 7. Voor anderen achtte hij het genoeg te zeggen: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen: maar toen hij deze Farizeeën en Sadduceeën tot zich zag komen, vond hij het nodig zich nader te verklaren. Deze waren twee van de drie voorname sekten onder de Joden van dien tijd, de derde sekte was die der Esseërs, van welke wij nooit lezen in de Evangeliën, want zij beminden de afzondering, en weigerden zich met de openbare aangelegenheden in te laten. De Farizeeën waren ijveraars voor de ceremoniën, voor de macht en het gezag der kerk en de overleveringen der ouden, de Sadduceeën vervielen tot het tegenovergestelde uiterste, en waren weinig beter dan deïsten, het bestaan ontkennende van geesten en van een toekomstigen staat. Het was vreemd, dat zij tot den doop van Johannes kwamen, maar hun nieuwsgierigheid bracht hen onder de hoorders, en sommigen van hen hebben zich waarschijnlijk aan den doop onderworpen, maar zeker is het, dat de meesten hunner dit niet deden, want Christus zegt, Lukas 7:29, 30, dat, terwijl de tollenaars, die met den doop van Johannes gedoopt waren, God rechtvaardigden, de Farizeeën en de Wetgeleerden, den raad Gods tegen zich zelven verworpen hebben, van hem niet gedoopt zijnde. Er zijn velen, die tot de genademiddelen komen, maar niet onder de kracht er van komen. Tot dezen nu richt zich Johannes in alle getrouwheid, en wat hij tot hen zei, zei hij ook tot de scharen, Lukas 3:7, want zij waren er allen bij betrokken.
2. Op hetgeen de toepassing was. Zij is eenvoudig en op den man af, gericht tot hun consciëntie, hij spreekt als iemand, die niet kwam om voor hen te prediken, maar om tot hen te prediken. Hoewel hij was opgevoed in de afzondering, was hij toch niet beschroomd of verlegen, als hij in het openbaar verscheen, hij vreesde niet voor het aangezicht van den mens, want hij was vol van den Heiligen Geest en van kracht.
I. Hier is een woord om van zonde te overtuigen en om te doen ontwaken. Hij begint ruw, hij noemt hen niet Rabbi, geeft hun geen titels en nog minder de woorden van lof of toejuiching, waaraan zij gewoon waren.
1. De titel, dien hij hun geeft, is: Adderengebroedsels. Christus gaf hun diezelfden titel, Hoofdstuk 12:34, 23:33. Zij waren als anders, schoonschijnend, maar venijnig, vol van boosheid en vijandschap tegen al wat goed was, zij waren een adderengebroedsel, het zaad en nakroost van dezulken, die van een zelfde geest waren, het was hun aangeboren. Zij roemden er in, dat zij het zaad van Abraham waren, maar Johannes toonde hun, dat zij van het zaad der slang waren (vergelijk Genesis 3:15), van hun vader, den duivel, Johannes 8:44. Zij waren ene slangachtige bende, allen aan elkaar gelijk, hoewel vijanden van elkaar, toch saamverbonden in het kwaad. Een goddeloos geslacht is een geslacht van anders, en dit moet hun gezegd worden, het betaamt den dienstknechten van Christus vrijmoedig te zijn en de zondaars hun waren aard te tonen. 2. Het alarmsein, dat hij hun geeft is: Wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn? Dit geeft te kennen, dat zij in gevaar waren van den toekomenden toorn, en dat hun toestand schier hopeloos was, en hun hart zo verhard in de zonde (de Farizeeën door hun pralen met den Godsdienst, en de Sadduceeën door hun spreken tegen den Godsdienst), dat het schier een wonder was om iets bij hen uit te werken, dat enigerlei hoop kon geven. "Wat brengt u hier? Wie heeft gedacht u hier te zien? Welk een schrik is u aangejaagd, dat gij naar het koninkrijk der hemelen vraagt?" Merk op
a. Er is een toekomende toorn, behalve de tegenwoordige toorn, waarvan de fiolen thans uitgestort worden, is er een toekomende toorn die voor later opgelegd en bewaard wordt.
b. Het is ons aller zorg en belang om dezen toorn te ontvlieden.
c. Het is ene wondervolle genade, dat wij zo eerlijk en duidelijk gewaarschuwd worden om te vlieden van dezen toorn, bedenk-wie ons gewaarschuwd heeft. God heeft ons gewaarschuwd, God, die geen behagen schept in ons verderf. Hij waarschuwt ons door het geschreven woord, door leraren, door onze consciëntie.
d. Deze waarschuwingen doen soms diegenen opschrikken, die zeer verhard schenen in hun gerustheid en in hun' goeden dunk omtrent zich zelven.
II. Hier is een woord van vermaning en leiding, vers 8, "Brengt dan vruchten voort der bekering waardig. Dan, of daarom, omdat gij gewaarschuwd zijt den toekomenden toorn te ontvlieden, zo laat de schrik des Heren u bewegen tot een heilig leven". Of: "Daarom, omdat gij bekering belijdt, en luistert naar de leer van doop en bekering, zo bewijst, dat gij ware bekeerlingen zijt." Bekering heeft haar zetel in het hart. Dáár is zij als een wortel, maar te vergeefs zeggen wij, dat zij dáár is, indien wij gene vruchten er van voortbrengen, in ene algehele verandering van ons leven, daar wij aflaten van alle zonde, en het goede aankleven, dat zijn vruchten, aksious tès metanoias, der bekering waardig. Diegenen zijn den naam, of de voorrechten, van boetvaardigen, of bekeerlingen, niet waardig, die zeggen, dat hun zonden hun leed doen, maar er toch in volharden. Zij die bekering belijden, gelijk alle gedoopten doen, moeten zijn en moeten handelen zoals het bekeerlingen betaamt en nooit iets doen, dat aan een boetvaardigzondaar niet voegt. Het betaamt boetvaardigen ootmoedig te zijn en gering in hun eigene ogen, dankbaar te zijn, ook voor het kleinste voorrecht, geduldig te zijn ook onder de grootste verdrukking, te waken, ook tegen allen schijn van zonde, overvloedig te zijn in elke plicht, en liefderijk te zijn in het oordelen van anderen.
III. Hier is een woord van waarschuwing, tegen het vertrouwen op uitwendige voorrechten, waardoor men op de roepstem tot bekering geen acht slaat, vers 9. Meent niet bij u zelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een' vader. Er is zeer veel, dat vleselijk gezinde harten geneigd zijn bij zich zelven te zeggen, om de overtuigende, gebiedende kracht van het woord Gods af te weren. De dienaren des woords moeten er naar streven dit te voorkomen. Het zijn ijdele gedachten, die vernachten in het binnenste van hen, die geroepen worden om hun hart te wassen, Jeremia 4:14.
Mè doxète -"Meent niet, onderstaat niet bij u zelven te zeggen, weest niet van mening, dat dit u zal behouden, geeft aan dit denkbeeld gene plaats. Sommigen lezen hiervoor: Behaagt u zelven niet met dit te zeggen, "wiegt u hiermede niet in slaap, en vleit u niet met die ijdele hoop." God geeft acht op hetgeen wij bij ons zelven zeggen, maar niet durven uitspreken, Hij is bekend met al dit valse betrouwen der ziel, met al de drogredenen, waarmee zij zich zelf misleidt, maar die zij niet bloot wil leggen, om maar niet uit den droom te komen. Velen verbergen de leugen in hun rechterhand, omdat zij zich schamen haar te bekennen, zij blijven in het belang van den duivel, doordat zij des duivels geheim bewaren. Johannes nu toont hun
1. Wat hun inbeelding was: "Wij hebben Abraham tot een vader, wij zijn gene zondaren uit de Heidenen, het betaamt voorzeker, dat zij tot bekering worden geroepen, waar wij zijn Joden, een heilig volk, een verkregen volk, wat hebben wij hiermede van doen?" Het woord zal ons geen goed doen, zo wij het niet aannemen als gesproken tot ons, en behorende tot ons. "Meent niet, dat, wijl gij Abrahams zaad zijt, gij daarom
a. "Niet nodig hebt u te bekeren, dat er niets is, waarvan gij u moet bekeren, dat uwe betrekking tot Abraham, en uw deel aan het verbond, dat met hem gemaakt is, u zo heilig maken, dat er voor u gene aanleiding is om van zin of van levenswijze te veranderen."
b. "Dat het u daarom wel genoeg gaan zal al bekeert gij u ook niet. Denkt niet, dat dit u in den dag des oordeels iets baten zal, dat het u beveiligen zal tegen den toekomenden toorn, dat God uwe onboetvaardigheid wel door de vingers zal zien, omdat gij Abrahams zaad zijt." Het is een ijdele waan te denken, dat onze vrome bloedverwanten ons zullen behouden, al is het ook, dat wij zelven niet vroom zijn. Wat zal het ons baten van Godvrezende voorouders af te stammen, het voorrecht gehad te hebben van ene Godsdienstige opvoeding, deel uit te maken van een gezin, waarin de vreze Gods heerst, goede vrienden te hebben, die ons ten goede raden en voor ons bidden, wat zal het ons alles baten, zeg ik, als wij ons niet bekeren, en een leven van boetvaardigheid en geloof leiden? Wij hebben Abraham tot onzen vader, en hebben dus aanspraak op de voorrechten van het verbond, dat met hem gemaakt is, zijn zaad zijnde, wij zijn zonen der kerk, de tempel des Heren, Jeremia 7:4. Er zijn zeer velen, die door hun betrouwen op de eer en de voorrechten van het lidmaatschap der zichtbare kerk, den hemel zullen missen.
2. Hoe dwaas en ongegrond die mening was. Zij dachten, dat zij, het zaad van Abraham zijnde, het enige volk waren, dat God in de wereld had, en dat Hij, indien zij afgesneden waren, dus ook gene kerk zou hebben, maar Johannes toont hun hoe dwaas en ijdel die waan was, Ik zeg u (wat gij ook bij u zelven moogt zeggen), dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. Hij doopte thans in de Jordaan te Bethabara, Johannes 1:28, het huis van den overtocht, waar de kinderen Israël's overtrokken, dáár waren de twaalf stenen, een voor elke stam, die Jozua als gedenkteken heeft opgericht, Jozua 4:20. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hij op deze stenen gewezen heeft, waaruit God, meer dan in blote voorstelling, de twaalf stammen Israël's kon verwekken. Of hij doelt wellicht op Jesaja 51:1, waar Abraham genoemd is de rotssteen, waaruit zij gehouwen waren. Dat God, die Izaak uit zulk een rotssteen verwekt heeft, indien het nodig is, hetzelfde wederom kan doen, omdat bij Hem geen ding onmogelijk is. Sommigen denken, dat hij wees op de Heidense krijgslieden, die daar tegenwoordig waren, den Joden aanzeggende: dat God zich ene kerk zou oprichten onder de Heidenen, en den zegen van Abraham op hen zou doen overgaan. Zo zou God, toen onze eerste ouders gevallen zijn, hen hebben kunnen laten omkomen, om zich dan uit stenen een anderen Adam en ene andere Eva te verwekken. Of neemt het zo: "Stenen zelfs zullen als Abrahams zaad erkend worden, veeleer dan zulke harde, dorre, onvruchtbare zondaars, als gij zijt". Merk op, dat gelijk het somber en dreigend is voor het betrouwen van de zondaars in Zion, zo is het voor de zonen van Zion bemoedigend, dat, wat er ook moge gebeuren met het tegenwoordige geslacht, God toch nooit gebrek zal hebben aan ene kerk in deze wereld. Indien de Joden afvallen, de Heidenen zullen ingeënt worden, Hoofdstuk 21:43, Romeinen 11:12 enz.
IV. Hier is een woord der verschrikking voor de zorgeloze en geruste Farizeeën en Sadduceeën, en andere Joden, die de tekenen der tijden niet kenden, noch den dag hunner bezoeking, vers 10. "Ziet thans toe, nu het koninkrijk Gods nabij is gekomen, en wordt verstandig.
1. "Hoe strikt en kort uw proeftijd is: Nu wordt de bijl voor u uitgedragen, nu wordt zij aan den wortel der bomen gelegd, nu wordt gij op de proef gesteld, maar slechts voor ene wijle, nu wordt gij getekend ter verderfenis, en kunt dit niet anders voorkomen dan door ene spoedige en oprechte bekering. Nu moet gij verwachten, dat God sneller zal te werk gaan met uw oordeel dan vroeger, en dat dit oordeel zal beginnen met het huis Gods. Waar God meer middelen toestaat, geeft Hij minder tijd". Ziet, Ik kom haastelijk. Nu was hun de laatste proeftijd gegeven, het is voor hen "nu of nooit".
2. "Hoe zwaar en streng uw oordeel zal zijn, indien gij u dezen proeftijd niet ten nutte maakt. Nu wordt het met de bijl aan den wortel, bekend gemaakt, om te tonen, dat het Gode ernst is met Zijne verklaring, dat alle boom, hoe hoog ook in gaven en in ere, hoe groen ook in uitwendige belijdenis en in het nakomen van Godsdienstplichten, indien hij gene goede vrucht voortbrengt, vrucht der bekering waardig, uitgehouwen wordt, verloochend, niet erkend, als een boom in Gods wijngaard, onwaardig om er ene plaats in te beslaan, en in het vuur wordt geworpen van Gods toorn-de geschiktste plaats voor onvruchtbare bomen: waar zijn zij ook anders goed voor? Indien zij niet geschikt zijn voor vrucht, dan zijn zij geschikt voor brandhout. Waarschijnlijk ziet dit op de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen, een oordeel, dat niet was, zoals andere oordelen geweest zijn, als een afsnijden van takken of ranken, of het neder houwen van den tronk eens booms, terwijl de wortelen bleven om opnieuw uit te spruiten, maar het zou ene algehele, finale, onherroepelijke uitroeiing zijn van dat volk, waarbij al diegenen zouden omkomen, die onboetvaardig, onbekeerlijk waren gebleven. Nu zou God een volkomen einde maken, de toorn zou tot het uiterste over hen komen.
V. Een woord van lering betreffende Jezus Christus, in wie geheel de prediking van Johannes haar middelpunt vond. Christus' dienaren prediken, niet zich zelven, maar Hem. Hier is:
1. De waardigheid en voortreffelijkheid van Christus boven Johannes. Zie hoe gering hij over zich zelven spreekt, ten einde Christus groot te maken, vers 11, "Ik doop u wel met water, dat is alles wat ik kan doen". Sacramenten ontlenen hun kracht of uitwerking niet aan hen, die ze bedienen: zij kunnen slechts het teken geven, het is Christus' kroonrecht om de zaak te geven, waarop het teken wijst, 1 Corinthiërs 3:6, 2 Koningen 4:31. Maar die na mij komt, is sterker dan ik. Johannes had wel veel kracht, want hij kwam in den geest en de kracht van Elia, maar Christus had meer. Hoewel Johannes waarlijk groot was, groot in de ogen des Heren (uit vrouwen was geen grotere geboren), toch acht hij zich onwaardig om zelfs de geringste plaats van dienstbetoon bij Christus te vervullen, wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen. Hij ziet, a. hoe machtig Christus is in vergelijking van hem. Het is voor getrouwe leraren een grote troost, te denken, dat Jezus Christus sterker, machtiger, is dan zij, voor hen, en door hen kan doen, wat zij zelf niet kunnen, Zijne kracht wordt in hun zwakheid volbracht.
b. Hoe gering hij is in vergelijking van Christus. niet waardig Hem Zijne schoenen na te dragen! Zij, die van God ere ontvangen, worden er door verootmoedigd in hun eigene ogen, gans gewillig om naar beneden te worden gebracht, zo Christus slechts wordt groot gemaakt, alles te wezen en niets te wezen, opdat Christus alles zij.
2. Het doel van Christus' verschijning, die zij nu spoedig verwachtten. Als geprofeteerd wordt, dat Johannes Christus' voorloper zou zijn Maleachi 3:1, 2 volgt daar onmiddellijk op: De Heere, dien gijlieden zoekt, zal snellijk komen, en Hij zal zitten louterende, vers.
3. En na de komst van Elia: Die dag komt, brandende als een oven, (Maleachi 4:1,) waarnaar de Doper hier schijnt te verwijzen. Christus zal komen om een onderscheid te maken:
a. Door de krachtige werking Zijner genade, Hij zal u dopen, dat is: sommigen van u, met den Heiligen Geest en met vuur. Merk op. Het is Christus kroonrecht om met den Heiligen Geest te dopen. Dit deed Hij in de buitengewone gaven des Geestes, geschonken aan de apostelen, op welke Christus zelf deze woorden van Johannes toepast, Handelingen 1:5. Dit doet Hij in de genadegaven en vertroostingen des Geestes, gegeven aan hen, die er Hem om vragen, Lukas 11:13, Johannes 7:38, 39, zie ook Handelingen 11:16. Zij, die met den Heiligen Geest gedoopt zijn, zijn als met vuur gedoopt, de zeven geesten Gods verschijnen als zeven vurige lampen. Openbaring 4:5. Is vuur verlichtend? Evenzo is de Geest een Geest die verlicht. Verwarmt het? Is niet hun hart brandende in hen? Verteert het? En verteert niet de Geest des oordeels als een Geest der uitbranding het schuim van hun bederf? Wordt alles, wat door het vuur wordt gegrepen, aan hetzelve gelijk gemaakt? En beweegt het zich naar boven? Zo wordt de ziel door den Geest heilig gemaakt, gelijk Hij zelf heilig is, en dan strekt zij zich hemelwaarts. Christus zegt: Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen, Lukas 12:49.
b. Door de laatste beslissingen van Zijn oordeel, vers 12, Wiens wan in Zijne hand is. Zijn vermogen om te onderscheiden, als de eeuwige wijsheid des Vaders, die alles in het ware licht beziet, en Zijn gezag, Zijne volmacht om te onderscheiden, als de Persoon, aan wie alle oordeel is overgegeven, dit alles is de wan, die in Zijne hand is, Jeremia 15:7. Nu zit Hij, louterende. Merk hier op. De zichtbare kerk is Christus' dorsvloer, O mijne dorsing, en de tarwe mijns dorsvloers, Jesaja 21:10. De tempel, een type van de kerk, was op een dorsvloer gebouwd. Op dezen dorsvloer is ene vermenging van tarwe en kaf. Ware gelovigen zijn als tarwe: degelijk, nuttig, kostbaar, geveinsden zijn als kaf: licht en ledig, nutteloos en waardeloos, weggevoerd door elke wind, deze twee zijn thans onder elkaar gemengd, goeden en slechten onder dezelfde uitwendige belijdenis en in dezelfde zichtbare gemeenschap. Er komt een dag, wanneer de dorsvloer doorzuiverd zal worden, en de tarwe van het kaf zal worden gescheiden. Iets van dien aard geschiedt dikwijls in de wereld, als God Zijn volk roept uit Babylon, Openbaring 18:4. Maar het is de dag van het laatste oordeel, die de dag van het grote wannen zijn zal, een dag der onderscheiding, die onfeilbaar beslissen zal betreffende leer en werken, 1 Corinthiërs 3:13, en betreffende personen, Hoofdstuk 25:32, 33, wanneer heiligen en zondaars voor eeuwig van elkaar gescheiden zullen worden. De hemel is de korenschuur, waarin Jezus Christus weldra al Zijne tarwe zal vergaderen, en geen enkel graankorreltje zal verloren gaan. Hij zal ze vergaderen, zoals rijpe vruchten ingezameld worden. De zeis van den dood wordt gebruikt om hen tot hun volken te verzamelen. In den hemel worden heiligen samengebracht, en dan zijn zij niet langer verstrooid, zij zijn veilig, en niet meer aan gevaar blootgesteld, afgezonderd van verdorvene naburen van buiten, en verdorvene neigingen van binnen, en dan is er geen kaf onder hen. Zij zijn niet slechts in de schuur gebracht, Hoofdstuk 13:30, maar in de korenschuur, waar zij gans doorzuiverd zijn. De hel is het onuitblusselijk vuur, dat het kaf zal verbranden, dat gewis het deel, de straf en het eeuwig verderf zal zijn van geveinsden en ongelovigen. Zo dat ons hier leven en dood, goed en kwaad, worden voorgesteld, al naar wij thans zijn in het veld, zullen wij dan zijn op den dorsvloer.