6. Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt ene ziel uit hen weg; die is wel in zijne ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van de hand des wachters eisen.
De verzen 2-6 stellen in de eerste plaats de algemene stelling voor, dat, wanneer een volk zich voor het geval van oorlog een wachter aanstelt, daardoor wachters en volk verantwoordelijk worden; dit wordt naar alle zijden uitgewerkt. Dan stelt Vers 7 vast, dat deze algemene stelling op Ezechiël en zijne betrekking tot Israël zijne toepassing vindt, want God heeft (voor een bepaalden tijd) hem tot wachter over Israël gesteld, en hem het woord der waarschuwing in den mond gegeven, om het Israël te zeggen.
De wederopname van den plicht, den Profeet opgelegd, en de daarmee verbondene verantwoordelijkheid in Vers 7, wordt in Vers 2, door een uit het leven gegrepen voorval ingeleid, en op deze wijze duidelijk gemaakt, dat ieder hoorder van deze woorden moest inzien: Ezechiël was verplicht geweest, het volk opmerkzaam te maken op het gericht, dat het wachtte en te waarschuwen voor het dreigend gevaar. De zin der gelijkenis is de volgende: Evenals de aangestelde wachter van een land verplicht is, aan het volk het naderen van den vijand aan te kondigen, en wanneer hij dat niet doet, des doods schuldig is, zo heeft ook Ezechiël als de aangestelde wachter van Israël het volk niet alleen moeten waarschuwen voor het naderend strafgericht, om zijn plicht te vervullen, maar hij heeft het ook werkelijk gewaarschuwd, en zo is, wie zich niet heeft willen laten waarschuwen, om zijner zonden wil het zwaard ten prooi geworden.
De gelijkenis gaat, daar dit geval inderdaad voor ons ligt, in Vers 2-4 daarvan uit, dat de wachter zijn plicht heeft gedaan. Daarop volgt in Vers 6, wat ook mogelijk is te denken, dat de wachter verzuimde wat zijne roeping was; dat dit geval alleen het mogelijke maar niet het werkelijke is, wijst de in Vers 7 volgende verklaring der gelijkenis in toepassing op Ezechiël aan, waarbij tevens zijne aanstelling tot wachter van het huis Israëls aan de mensenhanden wordt ontnomen en uitdrukkelijk tot Jehova wordt teruggebracht.
6. Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt ene ziel uit hen weg; die is wel in zijne ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van de hand des wachters eisen.
De verzen 2-6 stellen in de eerste plaats de algemene stelling voor, dat, wanneer een volk zich voor het geval van oorlog een wachter aanstelt, daardoor wachters en volk verantwoordelijk worden; dit wordt naar alle zijden uitgewerkt. Dan stelt Vers 7 vast, dat deze algemene stelling op Ezechiël en zijne betrekking tot Israël zijne toepassing vindt, want God heeft (voor een bepaalden tijd) hem tot wachter over Israël gesteld, en hem het woord der waarschuwing in den mond gegeven, om het Israël te zeggen.
De wederopname van den plicht, den Profeet opgelegd, en de daarmee verbondene verantwoordelijkheid in Vers 7, wordt in Vers 2, door een uit het leven gegrepen voorval ingeleid, en op deze wijze duidelijk gemaakt, dat ieder hoorder van deze woorden moest inzien: Ezechiël was verplicht geweest, het volk opmerkzaam te maken op het gericht, dat het wachtte en te waarschuwen voor het dreigend gevaar. De zin der gelijkenis is de volgende: Evenals de aangestelde wachter van een land verplicht is, aan het volk het naderen van den vijand aan te kondigen, en wanneer hij dat niet doet, des doods schuldig is, zo heeft ook Ezechiël als de aangestelde wachter van Israël het volk niet alleen moeten waarschuwen voor het naderend strafgericht, om zijn plicht te vervullen, maar hij heeft het ook werkelijk gewaarschuwd, en zo is, wie zich niet heeft willen laten waarschuwen, om zijner zonden wil het zwaard ten prooi geworden.
De gelijkenis gaat, daar dit geval inderdaad voor ons ligt, in Vers 2-4 daarvan uit, dat de wachter zijn plicht heeft gedaan. Daarop volgt in Vers 6, wat ook mogelijk is te denken, dat de wachter verzuimde wat zijne roeping was; dat dit geval alleen het mogelijke maar niet het werkelijke is, wijst de in Vers 7 volgende verklaring der gelijkenis in toepassing op Ezechiël aan, waarbij tevens zijne aanstelling tot wachter van het huis Israëls aan de mensenhanden wordt ontnomen en uitdrukkelijk tot Jehova wordt teruggebracht.