Jeremia 43:8-13
Wij vinden hier, gelijk ook in het volgende hoofdstuk, Jeremia profeterende in Egypte. Jeremia was nu in Thachpanhes, want daar woonden zijn heren en meesters, hij verkeerde te midden van afgodische Egyptenaren en verraderlijke Israëlieten. Maar hier
1. Ontving hij het Woord des Heeren, het geschiedde tot hem. God kan Zijn volk met Zijn genade bezoeken, waar het zich ook bevindt. Wanneer de dienaren gebonden zijn, is het Woord des Heeren nog niet gebonden. De geest van de profetie was niet aan het land Israëls gebonden. Voor Jeremia naar Egypte trok, niet bij keuze maar door dwang, trok God Zijn gewone gunst niet van hem af.
2. Wat hij van de Heere ontving, gaf hij het volk over. Waar wij ook verkeren, moeten wij trachten goed te zijn, want dat is onze taak in de wereld. Wij lezen van twee boodschappen, die Jeremia toevertrouwd werden, om ze in Egypte over te brengen. Wij mogen veronderstellen, dat hij zijn landgenoten in Egypte zoveel mogelijk goed deed, althans voor zover ze daarvan gediend waren. Als profeet deed hij zijn gewone werk, bad hij voor hen onderrichtte en troostte hen. Maar twee boodschappen, die hij onmiddellijk van God had ontvangen, zijn opgetekend, de ene in dit hoofdstuk, aangaande Egypte zelf en deszelfs ondergang voorspellende, de andere in het volgende hoofdstuk, betreffende de Joden in Egypte. God had hun tevoren gezegd, dat het zwaard, hetwelk zij in Egypte meenden te ontgaan, hen daar zou volgen. Hier zegt hij hun voorts, dat het zwaard van Nebukadnezar, dat zij juist zozeer vreesden, hen hier zou treffen.
I. Dit wordt door een teken aangewezen. Jeremia moest grote stenen in zijn hand nemen, zoals voor fundamenten gebruikt werden, en ze in de klei in de ticheloven verbergen, die op de openbare weg, bij de deur van Farao's huis was, vers 9, een in het oog lopende plaats nabij het koninklijke paleis. Egypte was beroemd om zijn tichelovens, getuige de slavernij van de kinderen Israëls, die gedwongen waren, tichelstenen te maken, Exodus 5:7, waaraan zij mogelijk door dit teken herinnerd werden. De grondslag van Egypte's verwoesting werd in deze tichelovens, in die klei gelegd. Dit moest hij doen, niet voor de ogen van de Egyptenaren, die Jeremia niet kenden, maar "voor de ogen van de Joodse mannen," tot wie hij gezonden was, opdat hij, nu hij ze niet had kunnen verhinderen, naar Egypte te gaan, ten minste leren zou, daarover boete te doen.
II. Het wordt in klare woorden geprofeteerd, zo duidelijk mogelijk.
1. Dat de koning, de tegenwoordige koning van Babylon, Nebukadnezar, dezelfde die Jeruzalem had verwoest, zich meester zou maken van deze koninklijke stad, en zijn troon zetten boven op deze stenen, die Ik verborgen heb, spreekt de Heere, vers 10. Deze zeer bijzondere omstandigheid wordt voorspeld, opdat, wanneer die komen zou, de profetie in herinnering zou komen en het geloof in de omvang en de zekerheid van de goddelijke voorwetendheid, voor wie de kleinste en toevalligste gebeurtenissen geopend zijn, bevestigd. God noemt Nebukadnezar Zijn knecht, omdat hij hierin Gods wil volbrengt, Zijn voornemen volvoert en dus Zijn werktuig is. Zie, de vorsten van de wereld zijn Gods dienaren, Hij gebruikt ze tot wat Hij wil en zelfs die onder hen, welke Hem niet kennen noch Zijn eer bedoelen, zijn instrumenten, waarvan Hij zich bedient. 2. Hij zou vele Egyptenaren doden en allen aan zich onderwerpen, vers 11. Hij zal komen en Egypteland slaan, en of schoon Egypte steeds een krijgshaftige natie geweest is, zal het tegen Babel niet bestand zijn. Wien hij wil, zal hij doden, hetzij door pestilentie (want dat betekent dood hier, als in hoofdst. 15, als hij ze in besmette plaatsen opsluit, hetzij door het zwaard des oorlogs of van de gerechtigheid in koelen bloede of in toorn. En wie hij wij zal hij in het leven behouden en in gevangenschap wegvoeren. Door naar Egypte te gaan, hadden de Joden de Chaldeën daarheen gelokt, en dus het volk, dat ze ontvangen had, een slechte dienst bewezen. Zij, die beloofden Israël tegen de koning van Babel te beschermen, stelden zich aan zijn wraak bloot.
3. Hij zou de afgoden van Egypte, beide tempels en afgodsbeelden, verderven, vers 12. Hij zal een vuur aansteken in de huizen van de goden van Egypte, maar het zal een vuur zijn, door God gezonden, het vuur van Gods toorn die haast aankwam, Jesaja 46:1. "Beth-Semes, of huis van de zon", zo genoemd, omdat daar een tempel stond, ter ere van de zon gebouwd, waar op gezette tijden de aanbidders van de zon een algemene vergadering hielden. De standbeelden of staande beelden of opgerichte beelden zal Hij verbreken, vers 13, en nemen de rijke bouwstoffen mede. Het betekent, dat hij alles verwoesten zou, zelfs de tempel en de beelden zouden de woede van zijn overwinnend leger niet ontsnappen. De koning van Babylon was zelf een groot afgodendienaar en een beschermer van de afgoderij, hij had zijn tempels en beelden ter ere van de zon even goed als de Egyptenaren, maar hij wordt hier gebruikt om de afgoden van Egypte te vernielen. Zo maakt God soms een goddeloos man of goddeloos volk de gesel en de plaag van een ander.
4. Hij zal zich meester maken van Egypte, en niemand vermogen, deszelfs zaak te bepleiten of zijn ongelijk te erkennen, vers 12. Hij zal Egypteland aan trekken gelijk als een herder zijn kleed aantrekt. Hij zal de rijke buit van het land medenemen, om er zijn eigen land mee te verfraaien en te versterken. Hij zal ze aantrekken gelijk een krijgsman zijn harnas, en al is de buit rijk en gewichtig en de eigenaar bedreven in de oorlog, toch zal Nebukadnezar die even gemakkelijk en even snel bemachtigen als een herder zijn kleed aantrekt, wanneer hij in de morgenstond zijn kudde uitleidt. Beladen met de rijkdom van vele andere volken, de vrucht van zijn veroveringen, zal hij met de buit van Egypte niet meer moeite hebben als een herder met zijn kleed. En wanneer hij genomen heeft wat hem behaagt (zoals Benhadad dreigde te doen, 1 Koningen 20:6), dan zal hij "van daar uittrekken in vrede," zonder dat iemand het hem belet of hij voor enige moeilijkheid vreest, zo weerloos laat hij Egypte achter. Deze verwoesting van Egypte door de koning van Babylon is voorspeld door Ezechiël, hoofdst. 29:19, 30:10. Babylon lag zeer ver weg van Egypte, en toch zou vandaar de verwoesting komen, want God ordineert de oordelen van waar Hij wil.